maandag, februari 20, 2006

Bijeenkomst Werkgroep 27 januari 2006

Verslag van de bijeenkomst 27 januari 2006

Aanwezig: J. Geysen, S. Landuyt, L. Matuszczak, Hedwig Van Damme, Aad van der Perk, F. Van Otten, Chr. Vonck,

Verontschuldig: Rit Van den Bergh, A. Vermaut,


We beginnen aan het tweede deel van Daden van Liefde, hoofdstuk I Liefde bouwt op.

Allereerst al in het korte voorwoord is Kierkegaard op zijn best en to the point: “Het zijn christelijke overwegingen, daarom gaat het niet over ‘liefde’, maar over ‘daden van liefde’. En hij raadt de lezer nog maar eens aan de “overpeinzingen langzaam tot zich te laten doordringen” en om “de moeilijkheidsgraad en de begrijpelijkheidsgraad met overleg tegen elkaar af te wegen”… “zodat het christelijke niet een vals gewicht krijgt”.

Maar de liefde bouwt op. (1 Cor VIII 1) Het volledige vers van Paulus luidt: “wat nu het offervlees betreft, weten we: allen hebben we kennis. Maar de kennis blaast op, de liefde bouwt op”. Waarschijnlijk een sneer naar de arrogante Corinthiërs en de gnostici onder hen in het bijzonder. Om het ‘opbouwen’ te kunnen bespreken begint K. eerst met een alinea over het overdrachtelijke karakter van alle menselijke spreken. Dit overdrachtelijke karakter van de spraak, typische eigenschap en vrucht van de werkzaamheid van de geest van de mens, staat tegenover de zintuiglijk – psychische mens zoals we die aantreffen bij het begin van zijn leven. Deze zintuiglijke – psychische mens “vermoedt het geheim van het overdrachtelijke woord (dat van uit de geest spreekt) niet”. Maar de geest neemt later terecht dit deel op in zijn geheel van betekenissen geven. Daardoor is het overdrachtelijke woord geen “splinternieuw woord”.

Het opbouwen is een overdrachtelijke uitdrukking, totaal iets anders dan (zintuiglijk- psychische betekenis) een hoop blokjes op elkaar stapelen. Die overdrachtelijke, door de geest gegeven betekenis wordt vervolgens uitvoerig besproken: opbouwen, of van de grond af beginnen, beter maken, tot geestelijke bloei en wasdom brengen, bemoedigen, enz. Zo is liefde fundamenteel opbouwend, ernstig, op een stevig fundament gebouwd of ze is niet. “Waar de hoogte tegelijkertijd omgekeerd diepte is”.

Er is meer “Opbouwen is uitsluitend een kenmerk van de liefde”. “Doe alles tot stichting, dat wil zeggen tot opbouw” of, wat hetzelfde is, “doe alles uit liefde”(K.) Stichtend is hier wel een wat verouderd woord, maar de inhoud van het begrip, zoals K het bedoelt, kadert eerder in het huidige wereldbeeld dat niet langer statisch is, maar dynamisch, cf in dit verband A.N.Whitehead en zijn Process Theology.

Een tweede belangrijk onderdeel van dit hoofdstuk is dan waar K. er toe komt te bespreken dat “de liefdevolle (mens) veronderstelt dat de liefde in het hart van de ander aanwezig is en juist door deze veronderstelling bouwt hij liefde in hem op – vanaf de basis, voor zover hij liefdevol veronderstelt dat de liefde aan de basis aanwezig is”. De liefdevolle mens handelt slechts vanuit één richtlijn: veronderstellen dat de liefde aanwezig is. Daardoor wordt de liefde te voorschijn geroepen, uit de veronderstelling dat de liefde als basis aanwezig is. De liefdevolle heeft (daarom?!) helemaal geen verdienste, hij heeft slechts verondersteld dat de liefde als basis aanwezig was. Daarom is het zo dat de werkzame liefde “werkt alsof ze helemaal niets doet”. We kunnen dit opbouwen in liefde vergelijken met het verborgen werken van de natuur. Hiermee toont K. wellicht de liefde in één van haar wezenlijkste kenmerken: dat ze ernstig is omdat ze (eeuwig) leven is en overdrager, overdrachtelijke wekker en bewerker van werkelijkheid-die-leven-is.

Vrijdag, 24 februari a.s. – 16.00 uur komen we opnieuw samen en lezen verder.

Tot dan,

Sam Landuyt.

vrijdag, januari 20, 2006

Bijeenkomst werkgroep 23 december

Verslag Vergadering 23 december 2005

Aanwezig: Jan Gysen, Sam Landuyt, Levi Matuszczak, Hedwig Van Damme, Fientje Van Otten, Aad van der Perk, André Vermaut, Chris Vonck

- Met Kerstmis in het verschiet en de viering van de verjaardag van Fientje en Hedwig, was de vergadering wat feestelijk gezellig (zie foto’s op de weblog, fotograaf Chris Vonck ontbreekt).
- Jan Gysen presenteert het door hem samengestelde boekje 'Artikelen dors. Wim Sixtus Scholtens, deel I. Daarmee wordt aan de leden van de werkgroep een kleine schat geschonken van waardevolle artikelen over Kierkegaard, die anders wellicht verloren zouden gaan.
- Jan Gysen maakte eveneens twee boekbesprekingen: zie weblog
§ Deutsche Kierkegaard Edition Band I, Journale und Aufzeichnungen
§ Kierkegaard Studies, Yearbook 2003
Gelezen en besproken wordt het Vde en laatste hoofdstuk van het Deel I van Daden van Liefde.
De uitdrukking “in de schuld staan bij elkaar” wordt nader besproken. Op het eerste ‘aanvoelen’ komt ons die uitdrukking onsympathiek tot oubollig over: ze roept herinneringen op aan oude kerk- en leslokalen waarin het steeds maar over plicht, zonde en schuld ging. Dit kan ons misleiden. De uitdrukking die Kierkegaard bedoelt is heel wat anders en = veel rijker van betekenis. Hij wijdt er trouwens een heel hoofdstuk aan. Er wordt b.v. verwezen in de groep naar de betekenis van het Engelse woord “indebted” en naar het feit dat K. zegt dat het om een oneindige, dus de facto nooit aflosbare schuld gaat. Ze is niet aflosbaar omdat ze niet voor berekening vatbaar is. Berekening zou de schuld een maat geven en er een einde aan maken. Van zodra men begint te rekenen, te vergelijken, gaat de wezenlijke betekenis van het “in de schuld blijven staan” van de liefde verloren. Net zoals de liefde niet voor berekening vatbaar is - “omdat ze niet bij zichzelf vertoeft, nooit tot voorwerp kan of mag worden - is ook het “in de schuld blijven staan voor wat de liefde betreft” niet kwantitatief. K. noemt ze daarom “oneindige schuld.”

Grondregels, grondgedachten van dit hoofdstuk zijn: “alles wat men in leven wil houden moet bewaard blijven in zijn element” (pag. 176), zoals de vis in het water moet blijven om te kunnen overleven. Het element van de liefde is de oneindigheid, ze is “bestemd voor vrijheid en leven” en blijft met behulp van de “oneindige schuld” voortdurend in haar element. Wordt ze uit dit, haar element, ook maar even geheven, dan sterft de liefde onmiddellijk, “wat juist een bewijs voor haar volmaaktheid is, dus voor het feit dat de liefde alleen maar kan leven in de oneindigheid”

Vanuit de oneindigheid van de schuld tegenover elkaar, voor wat de liefde betreft, komt haar ernst voort. Ernst die zich uit in het handelen en die “het vertoeven bij zichzelf” uitsluit (doordat men zichzelf zou gaan bekijken, vergelijken enz.). Doen is ernst, altijd. Niet de “dierlijke ernst” van het dier dat niet uit zijn sjablonen van het instinctieve handelen los kan komen, maar het doen (Daden van Liefde!) in de ernst van de oneindigheid, de oneindige schuld in de liefde. Ernst ontstaat, is gelegen in leven voor iemand die je hebt leren kennen in en door de liefde, die je hiermede onherroepelijk uit je zelf haalt en je jezelf doet overstijgen. Dit is zó ernstig dat men er wil voor leven en ook voor sterven.

Verschillende vormen of formuleringen van liefhebben worden daarbij nog terloops vergeleken. Er is de westerse vorm van “romantische liefde”tussen twee partners van uit een persoonlijke en vrije keuze, daartegenover staat de beleving en formulering door de Chinese, Indische of Afrikaanse mensen, die veel meer in het groeps-ik van familie en dorp ingebed gebleven zijn en nog sterk de schuld van de liefde aan elkaar, als familie, clan of dorp beleven. Iets wat de westerling handig aan de sociale zekerheid en tutti quanti overgedragen heeft. Wat hem of haar overigens nog niet tot een liefdeloze mens op maatschappelijk gebied hoeft te maken.

vrijdag, 27 januari - 16.00 u. wordt begonnen met het eerste hoofdstuk van Deel II van Daden van Liefde. Sam Landuyt

maandag, januari 16, 2006

Bijeenkomst Werkgroep 23 December 2005

Posted by Picasa

Bijeenkomst Werkgroep 23 December 2005

Posted by Picasa

Bijeenkomst Werkgroep 23 December 2005

Posted by Picasa

Boekbesprekingen

I. De genadereligie van India en het christendom

overeenkomsten en verschillen

Religieuze overeenstemming

in de godsdienstgeschiedenis

Rudolf OTTO

175 blz. Uitgeverij: Abraxas Amsterdam 2005

ISBN 90-807300-3-3

In het eerste deel weet Rudolf Otto (1869-1937) zich in te leven in de genadereligies van India. Zijn religieuze bewogenheid, die hij in HET HEILIGE uiteengezet heeft, is hier zeker niet vreemd aan. Het numineuze is immers voor hem de mogelijkheid om religie in het alledaagse te beleven. Hij laat ons overeenkomsten maar ook verschillen tussen de bhaktireligie (een devotionele stroming in het hindoeïsme) en het christendom zien. Belangrijk is ook dat hij die verschillen in religieuze beleving weet te duiden. Hindoes kennen geen erfzonde, geen kruis, geen persoonlijke goddelijke verzoener, zodat bij hen de inhoud van genade en verzoening volledig anders ingevuld wordt. Dit werk leert ons hoe in het hindoeïsme het goddelijke, het eeuwige dat achter alles schuilt, beleefd wordt.

“Godsdienst is de beleving van het mysterie en het komt tot uiting als het gevoel zich openstelt voor de indrukken van het eeuwige dat verschijnt door de sluier van het tijdelijke.”

Het gaat vooral over het individu dat de innerlijke beleving van het religieuze als genade en verlossing ervaart. De Indiase beleving van het heilige in de bhaktireligie treft hem zozeer dat hij deze vergelijkt met de oud-Israëlische Jahwedienst. Als joods-christelijk geïnspireer-de theoloog weet hij duidelijk het onderscheid aan te geven tussen ons westerse streven naar heiligheid en de Indiase zorg van een innerlijke sereniteit.

Het tweede deel handelt vooral over religieuze overeenkomsten in verschillende tijden en culturen. Otto gaat er vanuit dat er gelijke prereligieuze grondslagen zijn. Hij schrijft: ‘Dit feit van de overeenstemmingen in de godsdienstgeschiedenis manifesteert zich in het inzicht dat, in het begin van de beschaving, religie overal op vrijwel dezelfde wijze ontstaat, zich ontwikkelend vanuit een grondslag van vreemde en verwarde gemoedstoestanden en ideeën zoals deze zich herhalen met verbluffende overeenkomsten en regelmaat onder verschillende soorten bevolkingsgroepen aan het begin van hun culturele ontwikkelingen en vaak zo volhardend, dat haar invloed duidelijk waarneembaar is in de meer ontwikkelde religies en culturen. Nog steeds is deze basis een levende kracht binnen de cultuur van de schriftloze volken.(blz. 138-139)

Een opvallend inzicht dat de paradox van het numineuze met de worsteling tussen ervaren en denken aangeeft. Hij gaat daarvoor zelfs terug naar de ‘axiale periode’ (5 eeuwen v.C. Jaspers) waar we een duidelijke religieuze literatuur hebben. Zelfs China, Israël en Perzië worden niet vergeten. Zijn grote bewondering voor het numineuze in de Indiase bhakti-religie onderstreept hij overduidelijk in de hoofdstukken over Brahman, Tao, Logos, Atman en pneuma. In de bhakti-religie, een typische genadereligie, wordt alles ontvangen van de volheid van de godheid. Hier ligt vooral de nadruk op het deel hebben aan het goddelijke dat in alles aanwezig is. Het hindoeïsme wijst ons hier een eigen weg naar bevrijding.

Leid ons uit de onwerkelijkheid naar de werkelijkheid,

uit de duisternis naar het licht.

Voer ons van de dood naar de onsterfelijkheid.

Dit in tegenstelling met het Joodse motief:

Wees heilig, want heilig ben ik uw Heer. (Leviticus)

Heilig zijn, heel zijn, een Joods verlangen, kan maar verkregen worden door gehoorzaamheid aan Gods geboden. Het is niet een waardigheid die we ons of anderen kunnen geven.

Deze merkwaardige studie, aangevuld met belangrijke aantekeningen en een verklarende woordenlijst, kan de religieuze dialoog tussen Oost en West enorm verrijken. De duidelijke Nederlandse vertaling zal menigeen aanmoedigen om deze persoonlijke en moeizame religieuze zoektocht tot het einde te volgen.

Dr. Jan Gysen

FVG – Kierkegaard Werkgroep Antwerpen. Jan. 2006

II HET HEILIGE - RUDOLF OTTO

‘DAS HEILIGE’, het meesterwerk van de Duitse godsdienst-historicus Rudolf Otto (1869-1937) verscheen in 1917 tijdens de gruwelen van de Eerste Wereldoorlog (1914-1918). Een derde en geheel herziene druk in het Nederlands, bezorgd door Daniel Mok (1950), verscheen bij de Uitgeverij Abraxas. (2002)

Met de ondertiteling: ‘Een beschouwing over het irrationele in de idee van het goddelijke en de verhouding ervan tot het rationele’; zet Otto ons op weg naar een persoonlijke religieuze ervaring. ‘Godsdienst is de beleving van het mysterie, het verstandelijk ondoorgrondelijke, dat schuilgaat in het tijdelijke.’ De beleving van dat heilige goddelijke noemt hij het ‘numineuze’. Het numineuze is de aanduiding van de irrationele bestanddelen in het heilige, het goddelijke dat een mysterie is, dat fascineert en doet beven. De numineuze ervaring baseert zich niet op de goddelijke openbaring.

Hij onderzoekt geen ideeën of begrippen over God, maar de godsdienstige ervaring die ons overkomt.

Vrij van alle dogmatische vooringenomenheid tracht hij ons de weg naar een ‘levende God’ te tonen, door ons bewust te maken van het ‘mysterium tremendum et fascinans’, een geheim dat tegelijk angstaanjagend en aantrekkelijk is.

Het ervaren van het heilig-goddelijke kan zowel in de natuur zijn, als in een zelfgekozen stilte of in het schone en het grootse van een kunstwerk, gedicht of muzikale evocatie.

In 23 hoofdstukken leidt hij ons van een antropomorfistisch godsbeeld naar een wereld waarin de ervaring, het gevoel, primeert. We ervaren dat het gevoel alles is en het begrip op zichzelf niets betekent. (Gefühl ist alles, Name, Schall und Rauch. – Faust-) Hetgeen weerstand opriep in traditionele christelijke middens.

Het rationalisme wordt onttroond van zijn schijnbare zaligmakende positie van diepere religie. Het ‘heilige’ behoort van nu af tot de gevoelswereld. De ervaring van het ‘goddelijke’ is niet meer gebaseerd op filosofische constructies maar op het mysterie achter de dingen.

“Het gevoel van dit mysterie kan met milde stroom het innerlijke vervullen in de vorm van de verheven stille stemming van verzonken aandacht. Het kan overgaan in een rustig vloeiende gestemdheid van de ziel die lang aanhoudt en natrilt, tot zij uiteindelijke wegsterft en de ziel weer in het profane, het alledaagse achterlaat. Het kan ook met krampachtige stoten en stuiptrekkingen uit de ziel naar voren breken. Het kan voeren tot een vreemde opwinding, tot roes, vervoering of extase. Het kan wild en demonisch worden. Het kan geleidelijk omlaaggaan tot spookachtig vrezen en sidderen. Het heeft zijn ruwe, barbaarse eerste uitingen en laagste vormen. En het ontwikkelt zich tot een teer, gelouterd en opgetogen gevoel. Het kan worden tot het stille deemoedige huiveren en verstommen van het schepsel voor het – ja waarvoor? Voor wat in onuitsprekelijke geheimenis boven alle schepselen is.’ (blz. 22-23)

In die zin mogen we de ervaring die hij op 27 mei 1911 in Mogador neerschrijft al als een aanloop tot dit boek zien.


Mogador, zaterdag 27 mei 1911

“Het is sabbat. Al in de donkere en onvoorstelbaar smerige steeg naar het huis horen we die eentonige mengeling van gebeden en schriftlezing, dat nasale half gezongen, half gesproken geluid dat de Kerk en de Moskee hebben overgenomen van de Synagoge. Het geluid is aangenaam, en al spoedig kunnen vaste stembuigingen en ritmes worden onderscheiden die elkaar met regelmatige tussenpozen opvolgen als een Leitmotief. Je oor probeert grip te krijgen op de woorden, maar dat lukt nauwelijks en je hebt de poging al bijna opgegeven als je in die wanordelijke brij van geluiden plotseling, met een schok herkent, alomspannend, helder en onmiskenbaar: Kadosh, Kadosh, Kadosh Elohim Adonai Zebaoth Male’u hashamayim wahaarets kedabo! (Heilig, Heilig, Heilig, Here God der Heerscharen, hemel en aarde zijn vol van Uw glorie!)

Ik heb het Sanctus, Sanctus, Sanctus, van de kardinalen in de Sint-Pieter gehoord, het Swiat, Swiat, Swiat, in de kathedraal van het Kremlin en het Holy Holy Holy van de Patriarch in Jeruzalem. In welke taal dan ook, deze woorden, de hoogstverhevene ooit door menselijke lippen gevormd, raken je in het diepst van je ziel, met een machtige huivering het mysterie van die andere wereld die erin verborgen ligt oproepend en openbarend. En dat, sterker dan waar ook, hier in deze bescheiden plaats, waar ze weerklinken in dezelfde taal waarin Jesaja ze ooit als eerste ontving, en gesproken door de lippen van de mensen die deze woorden rechtstreeks beërfden.”

De zoektocht naar het goddelijke loopt dood op de sporen van abstracties, gebaseerd op filosofische constructies. Otto houdt een pleidooi om ernst te maken met het feit dat God de “Gans Andere” is, voelbaar, mysterieus, achter een sluier van angst en verwondering. Hier wordt eerder het hart dan de rede aangesproken. Alleen als men open staat voor dit gebeuren zal men in de ‘stemming’ blijven om een glimp op te vangen van het heilige, het goddelijke, dat doorschijnt en veel dieper gaat dan ieder denken.

Daarom is het goed de mogelijkheden van het denken te overwegen. Misschien kan dit wel met een citaat: 'De hoogste paradox van alle denken is de poging iets te ontdekken dat het denken niet kan denken'. (Søren Kierkegaard (1813-1855) Ook Albert Einstein (1879-1955) kan ons met zijn gevoel voor intuïtie op weg zetten.


Das Schönste, was wir

erleben können, ist das

Geheimnisvolle.

Es ist das Grundgefühl,

das an der Wiege der

wahren Kunst und

Wissenschaft steht.


Wat geldt voor de wetenschap telt ook voor de religie. Ze hebben dezelfde bron en kunnen maar met onderlinge beïnvloeding tot hun recht komen. Wat duidelijk verwoord is in een volgende uitspraak van hem: “Religie zonder wetenschap is blind, wetenschap zonder religie is kreupel.”


Rudolf Otto weet in deze studie het gevoel voor het ‘heilige’, het onbereikbare, op meesterlijke en diepzinnige wijze te beschrijven. Aangeraakt door het mysterieuze achter de dingen worden we pas deelgenoot van een bovenrationele werkelijkheid. Het wordt een andere weg om ‘HET HEILIGE’ te benaderen. Het ‘ervaren van het goddelijke ‘ verdringt een geloven in begrippen’.

Dr. Jan Gysen


Boekbesprekingen

Kierkegaard Studies Yearbook 2005

W.de Gruyter – Berlin – New York 2005

Sinds 1996, de eerste publicatie van ‘Kierkegaard Studies Yearbook’ wordt deze uitgave aanzien als een autoriteit op het gebied van Kierkegaard onderzoek. Het is ook een ideaal instrument tussen het Researchcentrum in Kopenhagen en de verschillende universitaire Kierkegaard- werkgroepen.

De tiende uitgave: ‘Kierkegaard Studies Yearbook 2005’ (520 blz.) is opgedragen aan professor emeritus Alastair Hannay (1932) van de universiteit van Oslo. Hij schreef over Kierkegaard en vertaalde verschillende werken. Dit jaarboek handelt vooral over het ‘Afsluttende uvidenskabelig Efterskrift’ (26 februari 1846) of ‘On-wetenschappelijk Naschrift). Een werk, dat Kierkegaard erg belangrijk vond. Het verscheen in zijn vroege periode onder het pseudoniem Johannes Climacus en telt een 600 tal bladzijden. Een moeilijke verwoording van een keerpunt in zijn leven. Nogal controversieel geschreven zodat reacties niet uitbleven.

Het eerste deel (300 blz.) van deze studies gaat over de genesis, kritiek het pseudoniem Climacus, klachten tegen een speculatieve filosofie, hoe christen worden volgens dit geschrift, en nog andere min of meer filosofische beschouwingen.

In deel twee (100 blz.) komen we vier schrijvers tegen die het enerzijds hebben over de ‘sombere’ Kierkegaard en anderzijds de pijnlijke tegenstellingen met zijn komische opvattingen. Verder lezen we nog hoe dit ‘Naschrift’ in Duitsland en Italië geduid wordt.

Deel drie (80 blz.)wordt iets algemener. Het begint met een uiteenzetting over Kierkegaards ironische muziekesthetiek gevolgd door een verhandeling over ’The pathos of Limit’. Ook lezen we in de vorm van een ‘In Memoriam’ een waardering voor Roger Poole (1939-2003), een bijzondere Kierkegaardkenner en vertaler. Hij schreef: “Kierkegaard: the indirect communication”, hield vele lezingen en stond aan het hoofd van het project ‘Kierkegaard after Postmodernism’ aan de Divinity faculteit van de Universiteit van Cambidge. Met nog allerlei nieuws uit het ‘Onderzoek Centrum’ voelen we dat Kierkegaards geest nog leeft en velen blijft prikkelen tot lectuur en discussie.

Dr.Jan Gysen

Kierkegaard Werkgroep

FVG Antwerpen

Dec. 2005

Deutsche Søren Kierkegaard Edition

Band I Journale AA-DD

W. de Gruyter – Berlin – New York 2005

Met deze volledig nieuwe aanpak van Søren Kierkegaards omvangrijk werk gaat weldra “Een keuze uit zijn dagboeken”, uit noodzaak, tot het verleden behoren en zal “Søren Kierkegaard : een keerpunt” nu duidelijker onderkend en geformu-leerd kunnen worden.

De historisch-kritische Deense uitgave “Søren Kierkegaards Skrifter”, werd gescreend met moderne analytische technieken, zoals licht- en elektronen-microscopie. Dat product werd het uitgangspunt voor het geniale vertaalwerk: Deutsche Søren Kierkegaard Edition Band I Journale AA-DD Uitgeverij W. de Gruyter – Berlin – New York 2005.

Deze Duitse vertaling heeft door klaardere teksten maar transparantie kunnen bieden. Een onschatbare aanwinst die nogmaals versterkt wordt doordat Kierkegaards persoonlijke aantekeningen nu ook bij de teksten staan. Hierdoor wordt het volgen van zijn ‘inwendige groeiproces’ toegankelijker, geraken we vertrouwd met zijn manier van leven en worden zelfs sommige “paradoxen” bevalliger.

Kierkegaards dwangmatige aandrang: een ‘doorstomen op religieus – filoso-fische rails’ krijgt weer aandacht waardoor vele religieuze denkers en filosofen zich opnieuw kunnen verwonderen over de kracht van zijn ‘existentiële bedrevenheid’

Het is een lijvig boek (614 blz.) om met een beetje ‘schrik en beven’ vast te nemen maar je krijgt toch weer een goed gevoel bij de verhelderende inzichten. De dagboeken en aantekeningen die 273 blz. vullen zijn van mooi doorstreepte manuscripten voorzien. Daardoor sluipen wij ongezien zijn werkplaats binnen en krijgen niet alleen een grafisch maar ook een psychologisch signaal van zijn ‘vertwijfeling’.

In de twintig volgende bladzijden (275-295) vinden we vooral technische informatie over de nieuwe aanpak van deze uitgave. Het gaat over principes die werden aangehouden bij het verzamelen en het ordenen van het materiaal. Verder bespreken ze het nieuwe drukbeeld, een aantal verbeteringen, veranderingen en aanvullingen. Het vierde deel “Zum Kommentaar” beslaat 300 blz. met adviezen en commentaar bij ieder deel van de dagboeken. Band I sluit af met een overzicht over de auteurs, een concordantie, een namen- , personen- en topgrafisch register. Deze uitgave, aangevuld met zorgvuldige gekozen aantekeningen, zullen Kierkegaards actualiteit sterk verduidelijken. Een kostbaar juweel voor een moderne tijd.

Dr. Jan Gysen

Kierkegaard Werkgroep

FVG Antwerpen

Dec.2005

Bijeenkomst Werkgroep November 05

Verslag van de bijeenkomst

Aanwezig: J. Geysen, A. Vermaut, L. Matuszczak, S. Landuyt, Chr. Vonck

Verontschuldigd: F. Van Otten, R. Van den Bergh

Vooreerst enkele praktische zaken:

- De bijdrage voor de werkgroep en het abonnement van de Acta Comparanda bedraagt 15 Euro en kan gestort worden op rekeningnummer: 001-1364212-80 van ACTA COMPARANDA, Bist 164, te 2610 Wilrijk

- Jan Geysen stelt voor om enkele artikelen over Kierkegaard, van de hand van een Nederlandse auteur, in een gedenkboekje te groeperen en voor de leden van de werkgroep ter beschikking te stellen. Met dank aangenomen!

- Als bijlage van De Morgen van zijn reeks Filosofen, komt er op 11 januari een boek uit over Kierkegaard’s filosofisch werk.

- Een Indische dame, professor en rector Universiteit, heeft een doctoraatsthesis geschreven over het werk van K. “Turning Point”. Jan Geysen zal trachten contact op te nemen met haar.

- Twee boeken worden ter recensie aangeboden: Kierkegaard Studies, Yearbook 2003 en Deutsche Kierkegaard Edition, Band I, Journale und Aufzeichnungen. Jan Geysen neemt de taak op zich.

- Karel Yssens (Utrecht) hoopt volgend jaar de vergaderingen te kunnen bijwonen.

- Vermeld wordt ook nog het overlijden dit jaar van de Franse filosoof Paul Ricoeur, manitou van de vertalingen van Kierkegaard naar het Frans. Ook het overlijden van Julia Watkin viel te betreuren. Zij vertaalde K. naar het Engels.

Het hoofdstuk dat besproken wordt is Daden van Liefde IV: Onze plicht de Mensen lief te hebben die we zien.

De algemene teneur van dit hoofdstuk is dat Kierkegaard zoals steeds de nadruk legt op de noodzaak van ernst en consequentie in de liefde, hier niet de liefde naar de naaste toe - zie voorgaande hoofdstukken hiervoor - maar naar de onmiddellijk bereikbare mens, “degene die we zien. Het gaat over de ernst en consequentie van de christen, maar ook over de consequentie van de filosoof tegenover wat hij verkondigt. Cf Socrates, Spinoza b.v.

Hierin past het gedeelte over de vraag van Jezus aan Petrus: “bemin je mij, bemint je me meer dan de anderen?” Vraag naar het wezen van Petrus en niet alleen of hij zichzelf kent. Iets wat vooral in de Oosterse traditie centraal gesteld wordt, in tegenstelling tot de Griekse – Romeinse traditie ( gnoti seauton). Men meent er argumenten in te vinden om te stellen dat Jezus in zijn opgroeiende jaren contacten en leermeesters gehad heeft met deze Oosterse stromingen, vermits ze niet zozeer in het klassieke Judaïsme voorkomen.

Staat de driedubbele vraag naar de liefde van Petrus voor Jezus tegenover het driedubbele verraad van Petrus? En toont Jezus hiermee aan hoe ernstig hij de liefde neemt, als hij later tijdens zijn lijden, zelf Petrus, ondanks zijn verraad, niet verloochent, maar consequent blijft aan de liefde die beiden voor elkaar uitgesproken hebben?

Jezus past de Wet toe van de Liefde en niet de wet van de wetten. De Orthodoxie heeft in haar traditie steeds meer de nadruk gelegd op het wezenlijk spirituele van Jezus’ Leer, terwijl het Westen meer geneigd was het wettische, het politieke zelfs, van de kerk te benadrukken in een vorm van een “verdraaid Jodendom”

Volgende bijeenkomst op 23 december te 16 uur: lezing van het hoofdstuk V.

Sam Landuyt

woensdag, januari 11, 2006

Kierkegaard en De Morgen

Op 11 januari verschijnt in dagblad De Morgen het deel 13 - Kierkegaard van de reeks Kopstukken Filosofie. Voor slechts 4,95 Euro en de bon uit de krant van woensdag de 11de, krijg je dit deel in je krantenwinkel tot en met zaterdag 14/01.

Haast je, rep je of probeer achteraf nog de ganse reeks te versieren...Zie ook www.demorgen.be/filosofie

zaterdag, januari 07, 2006

Bijeenkomst Werkgroep 28 oktober 2005

WERKGROEP KIERKEGAARD

-----------------------------------------

Dit is geen verslag, maar eerder een 'nieuwsbrief'…

de eerste bijeenkomst van het nieuwe werkjaar op vrijdag, 28 oktober 2005 ging door zoals gepland, maar was eigenlijk grotendeels gewijd aan praktische overwegingen en schikkingen.

Eerst was er een leuke verrassing: Dr. Jan Gysen heeft - samen met zijn goeie vriend Levi Matuszczak en ter gelegenheid van diens 80e verjaardag en 150 jaar Kierkegaard - een boekje samengesteld en elk van de aanwezigen kreeg hiervan een getekend exemplaar. Proficiat, Jan en Levi - en heel veel dank!

Blijkbaar waren we nog niet echt 'gerodeerd' en - na wat van gedachten wisselen over de tekst - werd besloten hoofdstuk IV - 'Onze plicht de mensen lief te hebben die wij zien' van het boek 'Daden van Liefde' terug op het programma van volgende vergadering te zetten en integraal te hernemen.

Een ander belangrijk gesprekspunt was het uur van samenkomst. Er werd gevraagd of het niet mogelijk was het late uur eventueel te vervroegen, de reden hiervoor: problemen van familiale of andere aard, de soms verre verplaatsingen op winteravonden, enz. Er werd dan overeengekomen dat de samenkomsten zoals altijd zullen doorgaan op de laatste vrijdag van elke maand, maar wel om 16 uur i.p.v. 20 uur. Dit laat leden die nu soms moeten afhaken misschien toch toe aanwezig te zijn en is tezelfdertijd misschien ook een mogelijkheid om een breder en nieuw publiek aan te trekken.

Er wordt eveneens overwogen of er ook geen werken van andere auteurs kunnen besproken worden die aanverwant zijn of commentaren geschreven hebben op het werk van S. Kierkegaard. Terecht wordt hierbij opgemerkt dat de groep niet mag ontaarden in een 'babbelgroep' en zijn filosofische oriëntatie niet uit het oog mag verliezen. Een voorstel was: 'Das Heilige: Ueber das Irrationale in der Idee des göttlichen und sein Verhältnis zum Rationalen' van Rudolf Otto. Als volgend boek van Kierkegaard zelf wordt het ' Afsluitend Onwetenschappelijk Naschrift' genoemd. Moet nog verder besproken worden.

De verslagen van de vergaderingen worden ook op de weblog van de werkgroep geplaatst en kunnen daar afgeprint worden: www.werkgroepkierkegaard.blogspot.com. Als leden van de groep (of ook andere personen) een meldenswaardig feit of publicatie hebben ivm het leven en werk van S. Kierkegaard, kunnen ze dit steeds doormailen aan info@AntwerpFVG.org. Sam Landuyt zal het gegeven dan op de weblog van de werkgroep plaatsen.

Het lidgeld voor het begonnen jaar zal volgende keer tijdens de vergadering worden geïnd.

Dus, bij leven en welzijn tot vrijdag, 25 november maar wel om 16 uur.

We lezen hoofdstuk IV van Daden van Liefde, reeds in uw bezit.

Sam Landuyt - Fientje Van Otten.

For our English speaking friends:

- we thank Dr.Jan Gysen and Levi Matuszczak for the booklet they gave each member on the occasion of the 80th birthday of Levi and the 150 years Kierkegaard;

- we decided that in future the meetings will take place the last Friday of the month, but at 16.00 H instead of 20.00 H;

- Suggestions were made to read eventually other works, relating with Kierkegaard and his writings. The question is open for further discussion.

- The reports will be put on the weblog of the Group, (address above) and the inscription fee will be collected during next meeting.

- See you on Friday, 28th November 2005 at 16.00 H - we read Chapter IV.

zaterdag, juni 18, 2005

Bijeenkomst Werkgroep 27 Mei 2005

VERSLAG VAN DE BIJEENKOMST


Aanwezigen: J. Gysen, L. Matuszczak, A. van der Perk, F. Van Otten, A. Vermaut, Chr.Vonck.

Verontschuldigd: D.Kjaer Christiansen, S. Landuyt, E. Lodewyckx, H. Van Damme R. Van den Bergh.


Het hoofdstuk dat op het programma stond "DE LIEFDE IS EEN GEWETENSZAAK" was misschien niet zo heel lang maar zeer rijk aan inhoud. Sommige uitspraken deden ons wel de wenkbrauwen fronsen maar wij durven wel eens vergeten dat de tijd waarin K schreef zo'n 150 jaar geleden ook totaal anders was. Maar daar waar het essentiële aan bod komt, kun je van Kierkegaard zeggen dat hij 'eeuwenoud' is maar 'springlevend'.

De kern van zijn hele betoog is: dat het christendom iedere relatie tussen mens en mens tot een gewetenszaak heeft gemaakt en - met behulp van het geweten - alles wil doordringen. De verandering voltrekt zich niet zozeer in het uiterlijke, het zichtbare, maar het is een oneindige verandering. Maar precies wanneer iets 'gewetenszaak' wordt, gebeurt er sowieso 'iets', kijk maar naar Luther wanneer hij zegt 'hier sta ik, ik kan niet anders'. Wanneer het christendom het 'oneindige', het 'goddelijke' aan het mensengeslacht wil geven, dan verandert 'alles'. Voor K blijft dit echter beperkt tot het 'geestelijke': zo hebben wij het er wel een beetje moeilijk mee waneer hij schrijft dat een arme werkvrouw zich het christelijke moet eigen maken en niet moet willen zijn zoals 'mevrouw'! Dat verwijst natuurlijk duidelijk naar de sociale context van zijn tijd. Maar onze kritiek wordt in de kiem gesmoord wanneer wij verder lezen: "Wat is het christendom anders dan innerlijkheid! Zo verandert het christendom iedere verhouding tussen mens en mens tot een gewetensverhouding, ook de liefdesverhouding." Het christendom zal noch de hartstocht, noch de genegenheid afschaffen; het wil niets anders dan de oneindigheidsverandering in het inwendige tot stand brengen, maar juist hierdoor verandert alles! … Om in liefde de naaste lief te hebben moet men van God uitgaan en in de liefde tot de naaste vindt men God. Het eeuwig ten-gronde-liggende moet ook ten gronde liggen aan iedere uiting van het bijzondere. De verhouding tussen de enkeling en God, de God-verhouding, is het geweten (in de zin van 'Gewissen' = consciousness). Dat is het christelijk protest tegen de 'eigenzinnigheid' van hartstocht en genegenheid. Het christendom heeft niets veranderd aan wat de mens vroeger leerde over beminnen van de geliefde, de vriend, enzovoort. Het heeft er niets aan toegevoegd en er ook niets van afgenomen, maar het heeft de totale liefde veranderd.

Dit zijn enkele sprokkels uit - wat ik hierboven noemde - een rijke tekst, maar er staat nog veel meer in, het kan geen kwaad hem nog eens door te nemen. Maar nu moeten we eerst het volgende hoofdstuk aanpakken, en - alleen al aan de titel te zien - kondigt zich dat ook aan als 'heel concreet': hoofdstuk IV - "ONZE PLICHT DE MENSEN LIEF TE HEBBEN, DIE WIJ ZIEN" = op pag.151 en verder. Wat K hierbij voor ons in petto heeft bespreken we volgende vrijdag, 24 juni om 20 u.

Veel leesplezier,

Fientje Van Otten.

Summary: We read chapter IIIB "Love is a matter of conscience" The change which Christianity brings is not a visible, outside change but an 'infinite' change, which has its effects on everything. In order to love our neighbour we have to start from God and in the love to our neighbour we find God. This is the Christian protest against our 'self-willness'. We continue our reading next Friday with chapter IV: it is our duty to love the men we see. Enjoy your reading.


woensdag, juni 01, 2005

Bijeenkomst werkgroep 29 april 2005

VERSLAG van de BIJEENKOMST

Aanwezigen: H. Van Damme, A. van der Perk, F. Van Otten, A. Vermaut,

Verontschuldigd: D.Kjaer Christiansen, J. Gysen, S. Landuyt, E. Lodewyckx, L. Matuszczak, R. Van den Bergh. Chr.Vonck

Dat jullie het verslag zo laat krijgen is misschien niet zo erg, wij lazen gewoon verder in het lange hoofdstuk IIIA en trachtten min of meer samen te vatten wat erin stond. Zo heel veel was er niet te melden, want de meerderheid was door ziekte of andere zorgen weerhouden. Maar dat jullie de nieuwe, te lezen tekst zo laat krijgen is wellicht erger, maar toch ook weer niet, want hij is gelukkig niet zo heel groot. Het hoofdstuk dat voor volgende vrijdag op het programma staat is "III B - DE LIEFDE IS EEN GEWETENSZAAK" van blz. 135 tot blz. 150, dus echt niet zo heel lang om door te nemen vỏỏr vrijdag. In elk geval mijn excuses voor dit late verslag.

Terugkijkend op wat wij vorige keer lazen, dan zien we dat bepaalde uitspraken van Kierkegaard de moeite zijn om nog even te overwegen: hij verwijst naar Paulus waar die schrijft: "De liefde is de som van het gebod" (1 Tim. 1,5). Dat moeten we begrijpen op dezelfde wijze als dat de liefde de vervulling is van de wet. Probeer eens om langs de weg van de geboden de som te vinden, zegt K. Hoe lang je blijft tellen, je zult ontdekken dat je werk tevergeefs is. Het begrip 'wet' is onuitputtelijk: iedere bepaling brengt een nieuwe voort, nauwkeuriger dan de eerste en zo gaat het tot in het oneindige door. De wet bepaalt en bepaalt maar nadert nooit de som die de liefde is. De mens zucht onder de wet. Waar de mens de wet ziet, ziet hij slechts de eisen, nooit de grens ervan. (p.107 - 110)

De opvatting van de wereldse liefde is dat liefde een verhouding is tussen mens en mens. Liefde bij K is een verhouding tussen mens - God - mens, God is hier de tussenbepaling. Geen mens mag een ander in liefde bezitten zonder dat die ander en hijzelf in diezelfde liefde aan God toebehoren. En het gaat nog sterker klinken: ieder moet, voordat hij in liefde een relatie aangaat met de beminde eerst met zijn eigen verhouding tot God en tot de eis van God in het reine komen. (p.110-116)

De Godsrelatie is het kenmerk van de ware liefde. Als de liefdesverhouding mij niet tot God brengt en als ik in een liefdesverhouding de ander niet tot God breng, is deze liefde, hoe groot haar genegenheid ook is en hoe intens het aardse geluk en genot van de geliefden, geen ware liefde. Een liefdesverhouding is drievoudig: de beminnende, de beminde en de liefde, maar de liefde is God. Daarom is het beminnen van een ander mens niets anders dan hem helpen God lief te hebben en zelf bemind worden is: geholpen worden om God lief te hebben.

Het is nu aan u in de nieuwe tekst te duiken die liefde beschouwt als 'gewetenszaak'. Wat daarbij aan bod zal komen bespreken we dan volgende vrijdag, 27 mei om 20 u.

Tot dan,

Fientje Van Otten.

Summary:

We tried to finish chapter IIIA and recapitulated its content. We focused especially on a quotation of Paul: 'Love is the sum of commandment'. Law has something indefinite, by adding commandments you never come to the sum of them, a law generates another one and this goes on indefinitely. We also reflected on the relationship with God, which is the characteristic of true love. A love affair is a tripartite: the lover, the beloved and love, but love is God. We continue our reading next Friday with chapter III B. See you then.

woensdag, april 20, 2005

Bijeenkomst Werkgroep 25 maart 2005

Verslag van de bijeenkomst

Aanwezigen: D.Kjaer Christiansen, S. Landuyt, F. Van Otten, A. Vermaut,
Verontschuldigd
: J. Gysen, E. Lodewyckx, L. Matuszczak, H. Van Damme, R. Van den Bergh. A. van der Perk, Chr.Vonck

IIIA De liefde is de vervulling van de wet (eerste deel)

- We wensen vooreerst Levi een goed herstel toe, na zijn operatie!

- Over belofte en gelofte. Er ontstaat een levendig gesprek over de “oirbaarheid” om “eeuwige geloften”(van “armoede, gehoorzaamheid en kuisheid”) te eisen, als voorwaarde tot priesterschap of intrede in een kloosterorde, geloften waarvan jonge mensen niet of nauwelijks de consequenties kunnen overzien. Er wordt ook aangestipt dat in b.v. de huwelijksbelofte of -gelofte eigenlijk vervat is of moet zijn dat men “op dat moment” “geheel en al” het woord IS dat men uitspreekt, dus onvoorwaardelijk zijn partner liefheeft. Dit onvoorwaardelijke heeft dan van zelf zijn gevolgen in het verloop van het leven. Maar wie kan dit waarmaken? Wel wordt aanvaard dat K. gelijk heeft als hij zegt dat lichtvaardige beloften het alleen maar moeilijker maken om iets te doen of niet te doen. Men is twee keer gebonden.

- “Ja- zeggers”: er wordt aangestipt dat in de Arabische wereld de zoon die ja zegt tegen zijn vader en neen doet, meer respect verdient dan degene die neen zegt tegen zijn vader, omdat hij zijn vader meer ‘respect’ vertoont… Dus opgelet voor culturele verschillen.

- We vestigen even onze aandacht op het “goddelijke gezag” (zoals uitgedrukt in de Wet van Mozes b.v.) dat “louter oog lijkt te zijn” omdat het, in tegenstelling tot het verstand en zijn schranderheid, verplicht tot ontmoeting: “jij bent het tot wie gesproken wordt”. Opgemerkt wordt dat we hier niet ver staan van en onderscheid moeten maken met “le regard” zoals J.P. Sartre er over schrijft, de dieptepsychologische vorsende en “objectiverende blik” van “de vader” op de zoon en aanleiding tot allerlei culpabilisaties en überego - tribulaties van het kind. Maar blijkbaar was Sartre toch meer een jongen toen hij die bijna paranoïde makende blik beschreef, want meisjes vinden die blik van de vader niet zomaar altijd negatief.

- De “vervulling van de wet”: wat is dat voor elk ons? Is het “ama et fac quod vis” (Augustinus)? Is het Liefde = Jezus Christus = Ik ben de vervulling van de wet? Namelijk, “wat de wet niet vermocht”, omdat ze “iets onbepaalds blijft hebben, ondanks al haar bepalingen" - pag. 108), dat deed Christus. Niet alleen inzicht brengen (doel van Socrates?) of dode letter blijven (zoals K. er bisschop Martensen en de filosofen van verdacht), maar kracht van verwezenlijking worden in de handeling: het woord spreken = het woord zijn. Bovendien was het “vervullen van de wet” voor Christus “een levensbehoefte”, namelijk het vervullen, volbrengen van de Wil van zijn Vader - pag.104. De Verklarende wordt het Verklaarde. Iets wat juist het verschil maakt tussen ons, andere mensen en Christus.

- K. worstelt duidelijk met zijn tekst zoals met zijn leven, om tot uitdrukking te kunnen brengen wat hij aanvoelt: de schijnbaarheid en toevalligheid overstijgen en komen tot de wezenlijkheid van alles. Hij vindt die in Christus, hier als Degene die Liefde IS en “de vervulling van de wet”. We vergeven hem zijn omslachtigheid die erdoor ontstaat, maar hebben ze wel gemerkt.

We lezen verder in dit hoofdstuk IIIA op vrijdag, 29 april 2005, om 20 uur. Tot dan!

Sam Landuyt

Summary: Struggling through the text, we discussed about the difference between 'promise' and 'vow' and the 'commitment' to which it refers, about 'idle' promises which are not kept, about the 'eye' of the 'divine authority' (as on the old pictures 'God sees me…'), and about the meaning of 'fulfilling the law'. We continue reading next time.


maandag, maart 21, 2005

Bijeenkomst werkgroep 25 februari 2005

Verslag van de Bijeenkomst


Aanwezigen: J. Gysen, S. Landuyt, L. Matuszczak, H. Van Damme, F. Van Otten, A. Vermaut, Chr.Vonck
Verontschuldigd: D.Kjaer Christiansen, E. Lodewyckx, R. Van den Bergh. A. van der Perk,

Er wordt verder gelezen aan deel IIC: ’jij’ zult de naaste liefhebben. Men tracht al borend en zoekend de kern te bereiken van wat S. Kierkegaard wil gezegd hebben, tegelijk met een poging van ieder van ons om meteen zichzelf hierin te beschrijven:

- Sam komt terug op het gevoel van depreciatie van de wereld en de ‘wereldse’ gevoelens, die hij bij K meent te ontdekken (liefde, gerechtigheid). Eigen aan de tijd, aan de persoonlijkheid van K? Cultuurgegeven van ons “christelijk” erfgoed?
- Jan wijst er op hoe de christelijke traditie in de knoei is geraakt, volgens hem, met de hiërarchische Christus, tegenover de persoon Jezus uit de Bergrede. Gevolg van het historische compromis ten tijde van keizer Constantijn: identificatie met de staat(sgodsdienst) en de macht? En hoe K moeite heeft met de Vader in de hemel (zie het Onze Vader, dat hij nergens bespreekt), omdat hij zelf worstelde met een afwezige tot slechte vader.
- Fientje vraagt zich af wat “begrijpen op afstand” hier betekent. Wij menen dat het is: hoe afstandelijker, d.i. hoe minder betrokken, de naastenliefde beleefd wordt, hoe minder er gehandeld wordt, hoe minder echt ze wordt en hoe moeilijker als gebod.
- Levi merkt op hoeveel geschrijf 'onopgeschoond' gepubliceerd wordt en hoe door zulk geschrijf de zaken alleen maar duisterder worden (Cf de inhoud van sommige thesissen).

De uitvoerige uitweidingen van K. over “de voornamen” en “de geringen” in de maatschappij en beider moeilijkheden om de naastenliefde te beoefenen, wordt door ons meer gewaardeerd als een wat mislukt politiek traktaat - om weg te komen van de sociale problematiek van de gerechtigheid - dan dat het een substantiële toevoeging is van de thematiek van de naastenliefde. Er zijn wel een aantal zinnen in dit hoofdstuk die verduidelijken wat K bedoelt:

“Het onmenselijke en onchristelijke ligt niet in de manier waarop gehandeld wordt, maar in het voor zichzelf willen loochenen van de verwantschap met alle mensen” (pag. 82)

“ Daarentegen is de maatstaf van iemands karakter: de afstand tussen wat hij begrijpt en wat hij doet, de afstand tussen zijn weten en handelen. (…) Het verschil is, of wij het op afstand begrijpen en er niet naar handelen of van dichtbij, zodat wij er wel naar handelen; ja nog sterker ‘niet anders kunnen doen’, het niet kunnen laten ernaar te handelen” (pag. 86).

“De naaste liefhebben is: wezenlijk gelijk aan allen willen zijn, onvoorwaardelijk gelijk aan iedere mens, terwijl men blijft voortleven in de omstandigheden waarin men geplaatst is”. (pag. 90)

“Niemand van hen die door de Voorzienigheid als werktuig gebruikt worden in dienst van de waarheid, houdt het met de geringen noch met de voornamen, maar hij is er voor beiden op dezelfde wijze” (pag. 92)

“Het aardse verschil is niet méér dan een toneeldracht of een reiskleed (…) dat men gemakkelijk kan afwerpen”(pag. 93) “als een losse mantel (pag. 94)

“De ware inwijding is toch alle eisen van het leven opgeven, om de enorme eis te kunnen verstaan, die God en de eeuwigheid stellen.” (pag. 95).

Deze teksten kunnen gemakkelijk misverstaan worden door een predikant die hiermee de kudde dom houdt terwijl de graaf ze arm houdt (19de eeuw). Ze kunnen echter ook eerlijker geïnterpreteerd worden, al dient gezegd dat K. kind van zijn burgerijtijd bleef, en misschien wel de kern van de naastenliefde aan ons meedeelt maar daarmee nog geen brood op de plank rechtvaardigt voor ‘de geringen’ (gerechtigheid). Blijft K., ondanks alles, zelf niet wat te veel “op afstand”?

Volgende samenkomst: vrijdag, 25 maart 2005 - 20.00 u. (we lezen het volgende hoofdstuk)
Sam Landuyt en Fientje Van Otten.

In this chapter Kierkegaard asks our attention for 'love in society' with its differences between the rich and poor, those who 'have'' and those who 'have not'. Also here he is arguing against preferential love, as for him the difference between rich and poor should only be seen as a 'costume' that can be changed easily like in a theatre, but has nothing to do with the essence of men. We however have the impression that he omits the aspect of 'justice', which has much more importance now than it had in the opinion of the people of the early 19th century. But anyhow, what he is telling about 'Christian love' is still valid, also today.

zaterdag, februari 19, 2005

Kardinaal Danneels op bezoek op de FVG

Wilrijk, 16 februari 2005

Filosfische Kardinaal Danneels op bezoek bij jubilerende FVG:

"Laten we God boven het gewoel houden…"

Pluralisme beschouwd vanuit het licht der waarheid, een beter onderwerp kon een ook al jubilerende Kardinaal Danneels niet gekozen hebben voor de reflectie die hij hedenochtend hield in de gebouwen van de Faculteit voor Vergelijkende Godsdienstwetenschappen voor een aandachtig en multi-religieus publiek. Rector Vonck liet het al even horen in zijn inleidende woorden: "Er is veel veranderd op het gebied van religie en kerken tijdens de 25-jarige groei en bloei van de Faculteit."

Kardinaal Danneels pikte hier gretig op in door nader in te gaan op onze perceptie van variatie en tolerantie op religieus gebied. Liever dan de term pluralisme te gebruiken spreekt hij over pluraliteit. Toch moeten we ons afzetten tegen de indifferentie van het verlangen om zomaar alles te willen zijn en tegenover het relativisme van een "alles-is-gelijk" houding. Dat zou een verarming betekenen, aldus de kardinaal.

De toespraak spitste zich toe op het concept van de waarheid. De waarheid is monolithisch, benadrukte de kardinaal. Je kunt er geen deal mee sluiten en er is geen nuance. Meerdere waarheden zijn er niet maar langs de subjectieve kant bekeken kan men wel spreken van pluralisme. Sedert de Renaissance en vooral sedert Kant is het belang van de subjectiviteit en het ik enorm gestegen. Kerken hebben het daarom niet gemakkelijk om hun "geopenbaarde waarheid" te verkondigen. We zien al bij de apostelen dat zij een zwart/wit perceptie van de waarheid hadden bij het bestempelen van goede en slechte daden. Jezus corrigeert dat beeld en geeft een kans aan het afwijkende gedrag. "Waarom werd dit zo laat opgemerkt door de mensheid?" vraagt de kardinaal zich af.

Feit is dat de waarheid zich slechts toont na vele eeuwen hoewel ze er altijd is geweest. Het is net als met het gegeven van de gelijkheid tussen man en vrouw: er is een hele culturele omwenteling voor nodig om dit voor iedereen zichtbaar te maken. Vergeten we niet dat de Mattheüspassie van Bach als slechte muziek werd beschouwd tot ze onder het stof vandaan werd gehaald door Mendelssohn. Zo worden begrippen als pluralisme en het recht op dwalen pas nu bespreekbaar. Nochtans vond Augustinus al in de vroege eeuwen van onze jaartelling dat er "niemand ooit helemaal goed of helemaal slecht is, goed en kwaad zijn met elkaar verweven". Zijn idee over tolerantie blijkt ook uit de volgende nogal boude uitspraak: "Er moeten mesthopen zijn, anders stinkt het overal."

Het zijn volgens ons ook steeds de anderen die de niet-pluralisten zijn, aldus de kardinaal die verwees naar de heksenjacht op het communisme in de Verenigde Staten rond het midden van de vorige eeuw. Zelfs de eerste christenen vonden dat in het Edict van 313. Ironisch genoeg bevonden zij zich niet zo lang daarvoor nog in het 'verkeerde' kamp. Pas in de late 19e en 20e eeuw begint de katholieke kerk officieel met het concept pluralisme rekening te houden. De eerste keer gebeurt dat in de encycliek "Pacem in Terris" van Johannes XXIII waarin een onderscheid gemaakt wordt tussen dwaling en degene die dwaalt. Een doorbraak komt er met het Vaticanum II en de encycliek "Gaudium et Spes".

De fundamentele kwestie volgens de kardinaal is echter of de waarheid opgelegd kan worden. Hij verwees daarbij naar de Conquista door de Spanjaarden in Zuid-Amerika. Daar werd de waarheid opgelegd met militaire, politieke en economische middelen, hulpconstructies, zoals de kardinaal het verwoordde. In het Heilig Jaar heeft de paus zich hiervoor verontschuldigd. De waarheid moet inderdaad geheel vrijwillig kunnen worden aangenomen, aldus de kardinaal. Zij is geen kwestie van discipline noch orde, maar van intelligentie en vrijheid.

Dit vraagt dan ook een speciale houding tegenover het missioneringwerk. De waarheid is namelijk zo krachtig dat zij zichzelf uiteindelijk oplegt, ook al kan daar een hele tijd overheen gaan. De kardinaal beaamde stellig: "Wij zijn voor de waarheid gemaakt; ons innerlijk kompas is erop gericht." Daarom zijn voor het verspreiden van de waarheid geen hulpconstructies nodig maar getuigenis. De kardinaal ziet hoe deze overgang zich aan het voltrekken is in alle religies en kerken. Het getuigenis is de meest onweerstaanbare manier om te overtuigen. Kijk naar de angst van tirannen voor martelaren die bereid zijn te sterven voor de waarheid. De kardinaal is ervan overtuigd dat de diaspora's waarin we verzeild zijn geraakt getuigenis absoluut noodzakelijk maken. Er zijn vrijwel geen homogene religieuze gebieden meer waar getuigenis veel minder ter zake doet. De verschillende religies wonen nu onder elkaar.

Tijdens de laatste vijftig jaar is het onderscheid tussen de waarheid an Sich en de perceptie van de waarheid helemaal op de voorgrond getreden. Daarom wees de kardinaal op het enorme belang dat religies hebben in de moderne samenleving. Vooreerst bepleiten zij het idee van de transcendentie: de mens is meer dan de mens, zoals Pascal al stelde. We moeten trachten God boven het gewoel te houden. Religies breken een lans voor de waarde van de ethiek. Een niet te veronachtzamen factor nu we alom geconfronteerd worden met de wet van de morele entropie. Het leven wordt met voeten getreden en niet alleen in kwesties zoals euthanasie en abortus, aldus de kardinaal. Godsdiensten bestrijden deze afkoeling en vormen een "negentropie" tegenover dit verlies aan energie.

"Tot slot blijft er slechts één vraag over", mijmerde de kardinaal. Het is de vraag over de dood. Waarom gaan wij dood? Het is contradictorisch om te sterven en er zijn vele en verschillende antwoorden op deze moeilijke vraag. Godsdiensten relateren haar aan het probleem van het eeuwige leven. Over de variatie aan antwoorden kan er gediscussieerd worden maar als de vraag niet meer geformuleerd wordt, is er sprake van ontmenselijking, aldus een openhartige kardinaal. De vraag over de dood is namelijk de kern van ons menszijn.

Leslie Versweyveld

Info: FVG – Bist 164, B-2610 Wilrijk - Antwerpen.
www.AntwerpFVG.org info@antwerpFVG.org

donderdag, februari 10, 2005

Kierkegaard brandglasraam F. Van Immerseel


http://werkgroepkierkegaard.blogspot.com Posted by Hello

Bijeenkomst werkgroep 28 januari 2005

VERSLAG VAN DE BIJEENKOMST

Kierkegaard: Daden van Liefde IIC

Aanwezigen: D.Kjaer Christiansen, S. Landuyt, A. van der Perk, H. Van Damme, F. Van Otten, A. Vermaut, Chr.Vonck
Verontschuldigd: J. Gysen, E. Lodewyckx, L. Matusczcak, R. Van den Bergh.

De werkgroep maakt eerst een hartelijke groet over aan Jan en Rit. Jan is namelijk opgenomen in het ziekenhuis met een ernstige aandoening. We wensen hem een goed en snel herstel toe!

De vergadering staat vooral in het teken van zoeken naar opheldering van woorden en begrippen die Kierkegaard gebruikt. Onze Dorit, onze Deense collega is daarbij van groot nut. Misschien kan er een klein lexicon gemaakt worden van “sleutelwoorden en begrippen” in het Nederlands, Engels en Deens?

Fientje neemt het voortouw:
- De eerste regel stelt al een probleem (pag. 71): 'neem alle verschil en wat daar op lijkt weg, zodat je de naaste kunt liefhebben.' Je kunt toch ook 'verschil' liefhebben? Het raadplegen van de Deense tekst maakt duidelijk dat “verschil” hier te lezen is als “onderscheid”. Dit blijkt ook uit de tweede regel, het gaat hier om het verschil of onderscheid dat de voorkeursliefde maakt in het exclusieve van haar liefhebben (van die éne tegenover alle anderen).

- Pag. 72: gaat over het feit dat elke liefde “embedded” moet zijn in de naastenliefde of goddelijke Liefde, om echte, ware, “eeuwige” liefde te kunnen genoemd worden. Maar omdat dit als gebod wordt uitgesproken is het 'een voorwerp van geloven'. Er wordt opgemerkt dat 'geloof' bij kierkegaard niet zomaar samenvalt met 'christelijk geloven'. Geloof zonder openbaring? Spiritualiteit? Is Kierkegaard, de filosoof een andere dan Kierkegaard, de gelovige christen? Of is dit een kwestie van taalgebruik in zijn strikt filosofisch werk? Deze begrippen vragen zeker nog verdere opheldering, vooral voor Sam, nieuweling.

- Pag. 73 de verandering die de dichter ondergaat in zijn troosteloosheid. De troost van de eeuwigheid is voor K. duidelijk een “veranderde levenshouding” omdat de christelijke troost niet zo vluchtig is maar “vreugde is” - Hier komt het ‘eeuwigheidaspect’ terug, ('eeuwig’ hier steeds gesteld voor onverwoestbaar, wezenlijk en dg).

- Pag. 74: “het is niet de naaste die jou vasthoudt, maar het is jouw liefde die de naaste vasthoudt”. Hier verwijst Fientje naar Levinas, voor wie het eerder omgekeerd is en waarbij het 'Gelaat van de Ander' in zijn kwetsbaarheid ons confronteert met een ethische eis, er gaat een appèl van uit, die ons tegemoet treedt als een bevel, een eis tot rechtvaardigheid. We kunnen wel weigeren op dit appèl in te gaan maar dan handelen wij onrechtvaardig, aldus Levinas. Wat Fientje doet opmerken: mijn naaste blijft mijn naaste, ondanks mezelf.

- Pag. 75 - 76 “liefde tot de naaste bezit… volmaaktheid van de eeuwigheid” Dorit, onze Deense collega, vertaalt dit uit het Deens als 'completeness of eternity'. Het voorwerp van de liefde namelijk doet er niet (meer) toe (?)

- Pag. 77 - Het “tussenstation”: wat is de precieze betekenis van dit woord? In het Deens staat “mellembestemmeloen”, volgens Dorit een nieuwvorming van Kierkegaard zelf. Is het tussenstation een “derde” (Cf triangulatie in de psychoanalyse) waardoor de twee anderen hun relatie en zichzelf kunnen benoemen tegenover de derde die ze tegenkomen?

- Pag. 79-80: Dat Kierkegaard ook een kind van zijn tijd was blijkt uit deze blz., vooral waar hij schrijft: 'Het christendom bekommert er zich totaal niet om of het verschil (tussen machtigen en geringen) “ten hemel schreiend en geweldoproepend is of onschuldig en vriendelijk”. Op zijn zachtst gezegd revolterend voor ons rechtvaardigheidsgevoel: er is ook nog zoiets als 'gerechtigheid', een even belangrijk begrip in de bijbel, en daar houdt Kierkegaard hier blijkbaar geen rekening mee.

- Er is nog juist tijd voor nog een laatste vraagje: op blz. 79 lezen we: "het christendom is te ernstig om fabeltjes te vertellen over de volmaakte mens". Dorit leest in het Deens = “Rein” de ‘pure’ mens. (Cf. Het Duitse 'rein' bij E.Kant).

De werkgroep besluit de bespreking over dit hoofdstuk verder te zetten op vrijdag, 25 februari - 20.00 u.

Sam Landuyt en Fientje Van Otten.

In this chapter Kierkegaard is arguing once more against preferential love. Even two lovers should be careful not to fall in the trap of preferential love, which in fact is egocentric love. The love of the commandment must be embedded in the love of God and, as such, it has the completeness of eternity.

dinsdag, februari 08, 2005

Kierkegaard


Bijeenkomst Werkgroep 17 december 2004

VERSLAG VAN DE BIJEENKOMST

Kierkegaard - Daden van Liefde IIB - Je zult 'de naaste' liefhebben.

Aanwezig: S. Landuyt, R.Van den Bergh, A.van der Perk, F. Van Otten, A.Vermaut, Chr.Vonck
Verontschuldigd: J.Gysen, D.Kjaer Christiansen, E. Lodewyckx, L.Matuszczak, H. Van Damme.

De discussie over hoofdstuk IIB verliep over twee krachtlijnen:
1. Kritische vragen over hoe Kierkegaard denkt en formuleert over de voorkeursliefde en de stap naar het gebod van de liefde tot de naaste.
2. Geleidelijk vinden van meer duidelijkheid en eenstemmigheid over de grondstellingen van Kierkegaard, doorheen en ondanks de kritische vragen in 1.

- Waarom staat er “de naaste”, als iedereen een mogelijke naaste is? Of, zoals anderen opmerkten, niet alleen een mogelijke, maar een werkelijke naaste is ("de naaste”, die door het gebod van “je zult”, ‘eeuwig’, d.i. werkelijk en onverwoestbaar wordt). De naaste is tegelijk singulier en universeel. (Cf. Paul Moyaert die het vinden van de naaste “een onderbreking van het dagelijks leven” noemt, wat voor Kierkegaard overeenkomt met 'Het Ogenblik', een 'Gebeurtenis' tegenover een leven van gewoonten.

- De naaste staat/ blijft ook steeds op afstand; kun je niet nader komen, wat in de voorkeursliefde wel het geval is? (Cf gedrag van de Samaritaan in de parabel; nuchterheid van zijn optreden als “naaste tegenover de naaste”).

- De naaste is ook steeds “ de andere”, de eerste “gij” en niet de “andere ik”, zoals in de voorkeursliefde. Maar is de liefde, zoals ze in de voorkeursliefde (bewaakt door haar schildwacht die de jaloezie is) niet een oefening in liefde? En is de liefde tot het andere ik, zoals ze verschijnt in de huwelijks- of liefdespartner niet een eerste benadering van de echte liefde? - Is de beschrijving van Kierkegaard - om didactische redenen of uit gebrek aan langdurige huwelijkservaring - beperkt en toegespitst op de “romantische”, dichterlijke voorkeursliefde of zelfs de verliefdheid, tout court met voorbijgaan van andere formuleringen van liefde zoals ouder-kindliefde, de gerijpte huwelijksliefde? Is Kierkegaard zelfs heimelijk niet denigrerend (uit frustratie omwille van zijn misgelopen relatie?) over de verliefdheid, door ze eerst de hemel in te prijzen als “romantische” liefde, om ze daarna bijna waardeloos te maken (“van den troon te stoten”…) tegenover de echte, d.i. werkelijke liefde, die in de liefde tot de naaste haar uitdrukking vindt?

- Is het Zelf (of het ‘alter ego’ in de romantische liefde), of de zelf-zucht (zuchtigheid, verslaving) de hinderpaal in de realisatie van de liefde die vanuit de geest geboren is? Of is het alter ego liefhebben steeds de misleiding? Er wordt opgemerkt dat wanneer 'ik' en 'jij' mekaar ontmoeten er een 'wij' ontstaat en het is 'in de geest' dat die wij door de twee betrokken mensen geformuleerd wordt uit hun liefde en deze onverwoestbaar 'eeuwig' maakt. Als zaak van de geest is het niet 'materieel' in de zin van fysiek.

Dat is zo wat het voornaamste waarover 'geboomd' werd, maar er was natuurlijk nog veel meer, de éne bedenking al diepgaander dan de andere. Ik wil dit verslag niet afsluiten zonder één van die ‘diepe' doordenkertjes mee te geven: "Woord wordt Vlees, elk Woord zal Vlees moeten worden of anders was er beter geen Woord", Is dat geen echte Kerstwens?

Volgende samenkomst, vrijdag, 28 januari 2005, 20 u. We lezen verder. Stap goed van 't oud in 't nieuwe jaar. Tot dan!
Sam Landuyt en F. Van Otten

After having read Chapter IIB - You shall love your neighbour, critical questions were asked about how K describes preferential love and the step to the commandment of love for the neighbour. On hand of the questions formulated, we tried to understand better how K thinks.

Attention: We are all invited on ‘The Fifth International Kierkegaard Conference 2005’, June 11/15 2005, St.Olaf College, Northfield, Minnesota, USA. Alle geïnteresseerden zijn welkom.
Inlichtingen / more information: contact(eer) FVG.