dinsdag, januari 22, 2008
Bijeenkomst van 21.12.2007
Aanwezig: Sam Landuyt, Noël Melis, Fientje Van Otten, Chris Vonck
Afwezig en verontschuldigd: Jan Gysen, Levi Matuszczak, Hedwig Van Damme, Rit Vandenbergh, Aad Van der Perk, Bavo Van Eesbeeck, André Vermaut.
We bespreken “Le couturier” blz. 72 – 79 van S. Kierkegaard’s In Vino Veritas. Nergens wordt het primaire narcisme van de vrouw zo cynisch en schaamteloos misbruikt en te gelde gemaakt als in de modewereld. Nergens lopen ook zoveel mannelijke narcisten rond als in die wereld. De modeontwerper, de modeverkoper mag de vrouw héél dicht benaderen, hij mag ze van kop tot teen meten, passen en begluren, alleen moet hij dat doen binnen de strikte rituelen van de modemaker én van de commercie. En die sluiten elke echte erotiek en zeker elke seksuele benadering volkomen uit. Wie deze ‘heilige’ taboeregels doorbreekt begaat een ‘doodzonde’ tegen de commercie én tegen de sekse. Hij kan dan overigens beter zijn zaak sluiten. De “couturier” is niet “de cavalier” die galanterie ten toon spreidt zoals geen ander haantjesgedrag. Hij is niet erotisch bezig met zijn object, alleen esthetisch en… hij is spinnijdig afgunstig op de echte cavalier. In feite heeft hij hier veel weg van de castraat: hij moet zich gedragen als een castraat om binnen de strikte rituelen zo dicht zijn object te mogen benaderen. Zijn vrouw thuis of achter het atelier in haar keuken zal ‘hare vent’ terzake ook wel kennen en… is er doodgerust in. Hij werkt deze frustratie uit op de modegeile cliënte door zijn dedain, zijn cynisme, zijn afgunstig misprijzen voor haar. Ze zouden het eens moeten weten, de mannequins en de goed geklede dames. Het is voorlopig onduidelijk of Kierkegaard hier zichzelf uitbeeldt en zichzelf dus ‘doorheeft’ in zijn mislukkingen als man en als liefdespartner. Zoniet, dan is hij een tragische komiek of liever een ‘armzalig manneke’ (inderdaad, een mannequin). Een filosoof die mislukt in het liefdesleven, ja wellicht is dat echt iets heel armzaligs om te zien en mee te maken. Hopelijk is het allemaal maar “gespeeld” ‘en ook bij de rest van de drinkebroers in het Kopenhaagse Symposion van toen.
Een citaat wil ik u niet onthouden. In zijn onnavolgbare stijl laat K. de couturier zijn cliënte beschrijven. Als die dames ook maar een flauw vermoeden zouden hebben van hoe hij – de couturier – over hen denkt en over het soort van ‘christelijk belijden’ dat er mee gepaard gaat, dan zetten ze geen voet meer in zijn boutique. Ik citeer: “Van mijn boutique is naar de voorname wereld de boodschap uitgegaan voor alle gedistingeerde dames, dat de mode het gebruik voorschrijft van een apart soort hoofdtooi voor wanneer men ter kerke gaat en dat die hoofdtooi weer dient te variëren al naar gelang de draagster zich naar de ochtend- dan wel naar de avonddienst begeeft. Als dan de klokken beieren houdt de equipage stil voor mijn deur. Hare genade stijgt uit (want ook dit is kond gedaan, dat niemand deze hoofdtooi goed kan installeren behalve ik, de couturier). Ik stort mij haar tegemoet met diepe buigingen en leid haar mijn kabinet binnen; terwijl ze mij willoos laat begaan breng ik alles orde. Ze is klaar, ze heeft zich in de spiegel bekeken; gezwind als een bode der goden ijl ik haar vooruit, heb de deur van het kabinet geopend en buig, spoed mij naar de voordeur, leg mijn arm op mijn borst, gelijk een oriëntaalse slaaf, doch bemoedigd door een genadige knix waag ik het zelfs haar een aanbiddende en bewonderende kushand toe te werpen – ze zit in het rijtuig, zie! ze heeft haar psalmboek vergeten, ik snel naar buiten en reik het haar aan door het raampje, permitteer me haar er nogmaals aan te herinneren haar hoofd ietsje naar rechts te houden en zelf wat aan haar hoofdtooi te schikken, mocht die bij het uitstappen ietwat in het ongerede raken. Ze rijdt heen en laat zich stichten.” (p.77)
Volgende vergadering op 25 januari te 16 uur. We bespreken wat we reeds lazen…
Sam Landuyt.
woensdag, januari 02, 2008
NIEUWJAARSWENSEN 2008
Van harte dus een goed 2008 aan alle leden! En aan alle toevallige lezers van deze Blog. U bent altijd welkom op onze vergaderingen: elke laatste vrijdag van de maand te 16 uur.
We bespreken momenteel: S. Kierkegaard. Deel I van Stadia op de Levensweg:
In vino veritas
Let wel: we bespreken dit, we pratikeren het daar niet zo maar!
Werkgroep Kierkegaard Bijeenkomst van 30.11.2007
Aanwezig: Sam Landuyt, Noël Melis, Rit Van den Bergh, Bavo Van Eesbeeck, Fientje Van Otten, Chris Vonck,
- Afwezig/Verontschuldigd: Jan Gysen, Levi Matuszschak, Aad Van der Perk, André Vermaut, Hedwig Vandamme
We begroeten een nieuw lid van onze werkgroep: Bavo Van Eesbeeck!
Nieuwe Kierkegaarduitgaven:
- S. Kierkegaard: Wat de Liefde doet, vertaling en verklarende noten door Lineke Buijs en Andries Visser, nawoord door Udo Doedens en Pieter Vos, uitgegeven door Damon
- Een passieloze tijd, de actualiteit van K. maatschappijkritiek. Uitgegeven 2006, 143 blz., € 14,90, Ten Have Kampen.
We bespreken de tafelrede van Constantin: pag. 53 tot 62.
Na “de jongeman” komt Constantin aan de beurt, blijkbaar al goed dronken en algeheel vervuld van zichzelf en de vanzelfsprekende superieure idealiteit van de man. De verborgen angst voor de vrouw en haar seksualiteit werd door ‘de jongeman’ nog eerlijk, maar wat bedeesd erkend – hij wilde immers het denken niet verliezen, dat voor hem zijn eeuwig wezen was - zijn phallus, zou de psycho-analist zeggen. Onze ‘ingewijde’ Constantin, blijkbaar een teleurgestelde minnaar vol complexen van gefrustreerde mannelijke trots en superioriteitsfantasieën draait rond de vrouw als een kat rond de hete brei. Ze is volgens hem “een onvoldragen ethische categorie, die alleen kan begrepen worden onder de categorie scherts”. “Het komt de man toe absoluut te zijn (en ‘geheel’ nvdr), absoluut te handelen, het absolute uit te drukken; de vrouw is relationeel bepaald. Tussen twee zo verschillende wezens kan geen ware wisselwerking plaatsvinden” (p. 54). Helaas, de man (“men” – sic!) “mikt op haar als de ethische categorie, men sluit de ogen (in vertrouwen van gekke verliefdheid bvb, maar ook in dagdagelijkse omgang nvdr) men denkt het absolute aan ethische eisen, men denkt de mens, daarop opent men de ogen en vestigt de blik op de deugdzame jonkvrouw… beklemming maakt zich van u meester en ge zegt bij u zelf: ach dit moet een grap zijn” (p. 54). Daar gaat ze… Men heeft haar verkeerdelijk alle idealiteit toegedicht en haar opgeblazen tot bovennatuurlijke proporties die een jongedame van zestien jaren zich maar kan inbeelden te bezitten en floeps, daar staat ze! Al haar idealiteit is illusie. Bovendien is de vrouw in staat om zich voortdurend, binnen de vierentwintig uur in het onschuldigste gebazel te transformeren, ook het tegenovergestelde van wat ze – gemeend dan nog! – gezegd heeft. Van een “beestje met hete pootjes” (G. Gezelle) gesproken. “De man kan er alles bij inschieten want het absolute heeft maar één absolute tegenstelling, te weten gezwets”. Als de man dan door de vrouw bedrogen wordt geldt het: “ voor een man van wie men geest mag eisen geldt: of hij wordt niet jaloers, of hij wordt jaloers en daardoor komisch”. En hoe ernstiger hij dan wordt hoe komischer. Een uitdaging voor de absolute geest dus, zoals hij door de man volgens Constantin op zo absolute wijze vertegenwoordigd wordt.
Volgende bijeenkomst: vrijdag 21 december te 16 uur. We lezen wat de ‘couturier’ en Johannes de Verleider te vertellen hebben en ook de nabeschouwingen, dus tot het einde of van pag.72 tot en met 94.
Denk ook even aan de bijdrage van 15 € over te maken op 001-1364212-80 van de FVG te 2610 Wilrijk. dank bij voorbaat.
Werkgroep Kierkegaard Bijeenkomst van 26.10. 2007
- Aanwezig: Hedwig Vandamme, Rit Van den Bergh, Aad van der Perk, Fientje Van Otten, André Vermaut, Chris Vonck, Noël Melis.
- Afwezig/Verontschuldigd: Jan Gysen, Sam Landuyt, Levi Matuszschak,
Sørens Symposion
Het is een mooie avond voor een gesprek over de liefde, al ontbreekt hier het gastmaal van Kierkegaard of van zijn voorbeeld Plato. We missen enkele deelnemers en onze bezorgdheid gaat vooral uit naar de gezondheid van Levi.
Maar Søren neemt ons mee naar het gastmaal dat, na moeizame voorbereidingen, dan toch doorging. Het wordt een gastmaal waarop geen vrouwen uitgenodigd zijn (en - geloof het of niet - wij konden hiermee instemmen) met vijf deelnemers: Johannes de Verleider, Victor Eremita en Constantin Constantius (heel goeie vrienden van Søren) en verder een mooie, (nog ‘groene’) jonge man en een ‘couturier’ waarvan de namen niet belangrijk zijn. Alles is ‘pico bello’ voorbereid : exquise gerechten, lekkere wijnen, een fonteintje in de achtergrond, heerlijke muziek, sfeervolle verlichting, de verwachtingen zijn zo hoog dat het hele feest wel eens een ‘mooie droom’ had kunnen blijven. Maar nee, het ging door en het gezelschap geniet … Halverwege de maaltijd stelt Constantin voor dat ieder een toespraak zou houden om de maaltijd af te sluiten, maar dat men alleen het woord mocht nemen als men in de juiste sfeer was – een beetje dronken van de wijn, maar ook niet te veel. En het thema zou zijn ‘de liefde’ of de relatie tussen man en vrouw, zonder echter liefdesgeschiedenissen te vertellen.
Liefde dus – en eerst is de jongeman aan het woord, ja, die zonder ervaring. Hij moest over de liefde spreken als een blinde over kleuren, want hij had nog nooit een liefdesgeschiedenis gehad. Is hij – niet gehinderd door enige kennis ter zake – wel de juiste persoon om dit gesprek te openen? Volgens hemzelf wel omdat hij het verschijnsel objectief waargenomen heeft. Al vlug blijkt dat het zowel over verliefdheid als over liefde gaat, het vinden van de ‘andere helft’: Eros, Afrodite, innigheid, oneindigheid, piëteit, streven, aan namen ontbreekt het niet. Toch blijft het onmogelijk de liefde te definiëren, daarvoor is ze te complex, ‘oneindig’ vervolledigt André. Ook al kunnen we dankzij het decor, de muziek en de aanwezigheid van vrienden bij een rijkelijke maaltijd de gewenste sfeer scheppen, onze woorden blijven ontoereikend. “… Beminnen, daarmee correspondeert het beminnenswaardige, en het beminnenswaardige is het onverklaarbare”. En wanneer “de gescheiden helften elkaar hebben gevonden, dan betekent dit dus de volkomen bevrediging en rust, en toch is het gevolg hiervan een nieuw bestaan” zodat er “niets zo vreselijk is als vader te zijn” want “het zijn twee onvergelijkbare zaken: een mens doodslaan en een mens het leven schenken; het eerste beslist over zijn lot alleen voor het tijdelijke, het andere voor de eeuwigheid…” (p.51). Op het einde van zijn toespraak lachte niemand om wat de jonge man zei, wat deze verwonderde, want hijzelf begreep de anderen niet wanneer hij ze over de liefde hoorde praten …
Wij waren in elk geval zo erg geboeid dat wij ons afvroegen wat de andere deelnemers zouden vertellen die na hem aan de beurt waren. Dat zullen wij volgende keer weten want wij lezen verder en luisteren naar Constantin en Victor Eremita, van blz. 53 tot en met blz.72. Veel leesgenot! Volgende bijeenkomst: vrijdag 30 november te 16 uur.
Hedwig Van Damme / Fientje Van Otten.
Wie ooit het "Symposion" van Plato las, herkent meteen een parallel in de tekst "In vino veritas" van Kierkegaard.: een uitgelezen gastmaal, overeenkomstig alle vereisten van het ideale droombanket en zelfs meer dan dat aangezien de uiteindelijke 'leegte' van een overvloedig eet- en drinkgelag bezworen wordt doordat de deelnemers, vijf in aantal waaronder drie pseudonymen van Kierkegaard, 'de waarheid zoeken in de wijn.'.
Wat betekent dat elk van hen beurtelings verondersteld wordt een toespraak te houden op het moment dat de wijn de tongen losgemaakt heeft en men met gemak prijsgeeft wat men in nuchtere toestand liever voor zich houdt. Het thema bij uitstek is dan ook de liefde of de relatie tussen mannen en vrouwen. Het weze genoteerd dat er geen vrouwen aan de dis werden toegelaten wat bij ons, lezers, tot enkele bedenkingen leidde, met het oog op de 'ideale' feestmaaltijd.
De jongste, anonieme deelnemer krijgt als eerste het woord. Hij doet denken aan een Adonis, een beeldschone jongeling ,maagdelijk puur - en dat blijkt hij ook te zijn! - een jonge intellectueel - niets gaat er boven het denken! - die elke liefdeservaring mist - wat hij zonder meer toegeeft - en waar hij het ook hoopt bij te kunnen laten hoewel hij daarvoor vreest. De liefde immers palmt jezelf of de ander voor je in, en. voordat je het weet is het te laat; je kan de liefde dus maar beter bedenken voordat ze je belachelijk heeft gemaakt. Want 'liefde' is belachelijk, ridicuul, komisch omdat ze tegenstrijdig is en een mens in tegenstrijdigheden verstrikt. Voor het verstand is ze compleet onverstaanbaar, maar wat er precies onverstaanbaar aan is, weet niemand te zeggen. Als begrip betekent 'liefde' niets en toch beweert men dat ze een essentieel element is van het menselijk bestaan, zoniet het summum van wat er menselijk zoal te beleven valt! De liefde is, zo wordt gezegd, de opperste zaligheid, het leven op topniveau, maar men gaat er helaas aan dood, aan de zoveelste ongelukkige liefde! Vraagt men bovendien naar haar object, dan schijnt niemand dit te kennen. Op de vraag wat dan precies beminnenswaardig is blijkt er geen antwoord te zijn. Als Plato het Goede of het Schone als beminnenswaardig suggereert overschrijden we de grens van de erotiek en komen we in etisch-metafysische domeinen terecht. (Zoals bekend was de vrouw voor Plato geen optie, dan nog liever de jonge knapenliefde, zoals dat trouwens de gewoonte was in Griekenland waar de man-vrouw relatie als een louter functionele en daarom secundaire relatie gold).
En stel dat je in het algemeen zou kunnen opperen dat mannen 'vrouwen' beminnen en vice versa dan zit je er nog naast want de liefde werkt exclusief: het gaat om die Ène, en waarom juist die Ène en geen andere is niet te zeggen. Waarom alle mensen trouwens perse willen beminnen en bemind willen worden blijft voor de rede een raadsel. En het ongeluk of het geluk wil dat we als redelijke wezens 'geschapen' zijn en het reflecteren niet kunnen laten. De reflectie is de eeuwige derde; "l'amour se fait toujours ‡ trois" schrijft Marguerite Duras. De vermaledijde derde.
Vanwaar de lust, vanwaar de begeerte? Is ieder mens misschien maar een 'half' mens (cfr. Aristophanes), eeuwig op zoek naar zijn wederhelft? Voor de vrouw is dit zonder meer duidelijk, er valt dan ook niet mee te lachen; de man daarentegen denkt zichelf als een geheel en wanneer hij zichzelf als een helft gedraagt, geeft dit aanleiding tot hilarisch gelach!
Liefde is dus komisch - want het komische heeft in wezen altijd te maken met tegenstrijdigheid en, in de mate dat de liefde je onverhoeds overvalt zonder dat je er aan kan weerstaan - want dingen die je niet kan begrijpen kan je ook niet vermijden omdat je zonder inzicht in de zaak geen enkele strategie kunt uitdenken - is zij in wezen ook tragisch.
Kortom, de liefde is niet wenselijk!
Slechts ÈÈn enkele vorm van liefde is voor de spreker aanvaardbaar, want begrijpelijk: de 'piÎteit' van de zoon ( over vrouwen, zij het meisjes, dochters of moeders wordt er in deze toespraak zeer weinig gezegd!) voor de vader waaraan hij het leven te danken heeft (!). Het leven schenken is de hoogste act in de hiÎrarchie van waarden die een mens kan verrichten en dwingt de ontvanger onvoorwaardelijk in een relatie van eeuwigdurend respect, dankbaarheid en schuld De spreker schijnt hier geen enkel probleem mee te hebben.tot op het moment dat hij zich over een eventueel eigen vaderschap moet uitspreken. Wat wil het zeggen 'vader' te zijn? De tegenstrijdigheden steken opnieuw de kop op, want hoe kan een piÎteitsvolle zoon vader worden en hoe zit het dan met de vader van de zoon die vader wordt? Is het vaderschap slechts inbeelding? Is het de afschuwelijkste van alle gedachten of is het de hoogste levenstaak?
Even maar vrees je als lezer dat de spreker in de grootste verwarring en onzekerheid zijn toespraak zal beÎindigen, maar niets is minder waar. Buitengewoon klaar en helder bekent hij dat 'het eeuwige' in hem niet de liefde maar het denken is . Niets, geen vrouw, moeder of vader zal hem ertoe brengen het denken te verraden.
Is het denken misschien zijn lief? Hoe belachelijk!.
Zeer benieuwd kijken we uit naar de twee volgende toespraken van Constantin Constantinus en Victor Emerita op 30 november om 16u. Tot dan.
Rit Van den Bergh.
maandag, november 05, 2007
Werkgroep Kierkegaard Bijeenkomst van 28.09.2007
- Aanwezig: André Vermaut, Chris Vonck, Fientje Van Otten, Rit Van den Bergh, Sam Landuyt
- Afwezg: Ad van de Perk, Hewig …, Frans Martens
- Verontschuldigd: Levi Matuszschek, Jan Gysen
We starten dit academisch jaar 2007 – 2008 met de lezing van een nieuw boek van S. Kierkegaard: STADIA OP DE LEVENSWEG Deel I, in Nederlandse vertaling van Jan Marquart Scholtz, met een inleiding door W.R. Scholtens, uitgegeven door Meulenhoff, 1987, gebaseerd op de eerste uitgave in het Deens van 1845. De noten zijn uit Dagboek 1901???
We horen dat een van onze meest toegewijde leden, Levi M. ziek is en we brengen hem onze groeten over en wensen van herstel via een kaartje en tevens ook middels dit verslag. Goed en vlug herstel Levi!, we missen je uitgebreide kennis van onze auteur!
De Inleiding door Hilarius, pseudoniem van Kierkegaard, zo geschreven om de welwillende aandacht van de lezer te krijgen -“Lectori benevolo” – is van een gelijklopend scenario als in Of/Of. Ze is anekdotisch en ook de voetnoten zijn in pseudoniem. K. verbergt hiermee zichzelf een beetje. Waarom? Een beetje pleinvrees of plankenkoorts? De inleiding doet het voorkomen dat een ijverige brave boekbinder het manuscript gekregen en opgeborgen had, of liever het ter instructie van zijn kinderen gebruikte voor het schoonschrift ervan, maar er toch geld en interesse in zag toen een seminarist en candidatus in de filosofie ( K.zelf ?) hem er op attent maakte dat hij daar een heel “voortreffelijk geschenk van de voorzienigheid in huis had”… Zo zie je maar hoe K. het aan boord moest leggen om gelezen te geraken. Of ij ook begrepen werd door de boekbinders en co, daar bleef hij wellicht zijn twijfels over bewaren, zo menen we.
“In vino veritas”, een Herinnering. Naverteld door William Afham (“Doorhem”) Zo begint het eerste deel. En al meteen vooraf een “Voorherinnering” (vóór de herinnering blijkbaar?).
Even taalkundig:
Voorherinnering is Avertissement (Fr.).
Herinneren is: se rappeler, se souvenir (Fr.), remember (Eng) ; Herinnering, Souvenir (Fr.), Rememberance (Eng).
Geheugen is mémoire (Fr.), memory (Eng.)
En dan beginnen we. Net zoals in Daden van Liefde, ons vorige boek, ziet het er naar uit dat K. ons zal confronteren met twee dimensies (of integratieniveaus?) van beleving: de onmiddellijke (instantané), voorbijgaand, tijdstipgebonden (het geheugen van – ) en de “eeuwige”, wezenlijk (herinnering). K. is een fantastisch goede beschrijver (is dat zijn fenomenologie?) en hij zet aan met de beschrijving van wat “een geheim toebereid (toebedeeld, toevertrouwd?) krijgen” zoal meebrengt voor de drager ervan. Dit om het klevende, beklijvende aspect van elke ware herinnering nadien te kunnen aanvatten. Dit tegenover het tijdelijke, accidentele van het geheugenspoor van het gebeurde. Het geheugen is niet meer dan “een voorwaarde van verdwijnende betekenis”. Men kan een voorval tot in de details in zijn geheugen bewaren en oproepen, “zonder dat men zich die gebeurtenis daarom ook herinnert”. De herinnering daarentegen draagt de onsterfelijkheid in zich , in een “uno tenore” van het leven, de eeuwige continuïteit ervan dus. Hij voert het voorbeeld aan van Jacobi, een idealistische filosoof die niet langer dan een moment kon denken aan de onsterfelijkheid zonder het gevaar er bijna gek van te worden. Maar als men geheugen en herinnering met elkaar verwart en de inhoud ervan daardoor verliest, is alles niet meer zo schrikbarend. Vandaar dat zovele er geleerd en zonder moeite over kunnen preken (en filosoferen?. Zonder “Vrees en Beven”? Sneer naar zijn ambtsbroeders op de kansel?
Volgende bijeenkomst: vrijdag 26 Oktober te 16 uur.
DADEN VAN LIEFDE HOE IEDER VAN DE LEDEN VAN DE WERKGROEP DIT BELEEFD HEEFT
Academisch Jaar 2006 – 2007
Verslag van de werkzaamheden
De werkgroep Kierkegaard telt een tiental werkende leden en komt elke maand samen van september tot juni. Dit jaar werd verder gegaan met de intensieve lezing van het tweede deel van het werk van S. Kierkegaard: Daden van Liefde, in de Nederlandse vertaling van Maria Veltman, uitgeverij Garant Leuven – Apeldoorn, tweede druk 1996.
We zijn thans op het einde van dit monumentale werk gekomen en hebben elk onze eindbeoordeling aan elkaar voorgelegd.
De verslagen van de werkgroep evenals (binnenkort) de persoonlijke eindevaluatie van ieder lid kan gelezen worden op onze weblog: http://werkgroepkierkegaard.blogspot.com/. Nederlands met een korte Engelse samenvatting.
Het meest boeiende voor ons van deze lezingen was de persoonlijke toets en inzet die geleidelijk aan sterker en duidelijker werd onder de deelnemers. De toetsing van de woorden van K. - “die men staande en luidop moet lezen” volgens de auteur – aan ons persoonlijk leven en werken, maakte duidelijk hoe intens K. de ‘taal van de geest’ (P. 373 Opmerkingen bij Deel II hoofdstuk II) spreekt. Als men zich de moeite geeft om zich door de tekst heen te worstelen (hij is onderhand anderhalve eeuw oud – 1847 - en dat merkt men ook wel af en toe) dan opent zich de hoogte en de diepte, de “eeuwige rijkdom” van de Liefde, zoals Paulus ze in Romeinen 13 verheerlijkt heeft.
K. Is niet erg “in” bij de jonge generaties. Alles gaat blijkbaar met cycli van op en neer, ook het geestesleven en de interesses van het intellect. Toch is wat deze nukkige, wat melancholische Deen ooit staande geschreven heeft, naast zovele andere van zijn uitgaven, fundamenteel “voedsel voor de ziel”, de kern van het christen – zijn zelf. Hij worstelt met de woorden, is nooit helemaal tevreden over wat en hoe hij het zegt, als het maar de juistheid en de waarheid benadert zoals hij ze ongetwijfeld in zijn leven vermoed heeft en trachten te beleven heeft. Geen woorden van of over liefde, geen lyriek of dichterlijke vlagen, maar daden, daden, daden van liefde. Als om de werkelijkheid te benadrukken tegenover de vloed van words, words, words van, toen Hegel en nu de bijna gehele academische pers en wereld.
Sam Landuyt
16 mei 2007
DADEN VAN LIEFDE HOE IEDER VAN DE LEDEN VAN DE WERKGROEP DIT BELEEFD HEEFT
Daden Van Liefde
Aad van der Perk: eindnota’s
24. April 2007
Na alle discussies over de Kierkegaardstudie betreffende de “Praktijken van de Liefde” heb ik mij neergezet en alles in alle rust en stilte overwogen.
Ik heb mij ook af en toe eens verdiept in wat andere auteurs er over schreven. O.a. Schweitzer in “Was sollen wir tun” en andere werken van zijn hand.
Treffend is deze uitspraak: Alle geschrijf en gefilosofeer desbetreffende zinkt in het niet bij de actuele daad. Inderdaad!.
Toch ontkomt men niet aan de gedachte: “Waartoe dit alles?” Zoals K. zich ergens afvraagt: “Is er een theologische suspensie van het ethische?” Op zijn Hollands gezegd: een doelgerichte afhankelijkheid?
Daarop zijn al verschillende antwoorden gegeven. De Calvinisten en ook de Moslim zegt: “De Ere Gods” Al hamdu l’illah”. Jezus zegt ergens: “Wat gij de armen gedaan hebt, hebt ge aan mij gedaan”.
Het Middeleeuwse R.K.- christendom dacht met de goede werken de hemel te verdienen. “Als het geld in ’t kistje klinkt, het zieltje in de hemel springt”. Een gedachtegang waartegen Luther en anderen in opstand kwamen.
Zelf denk ik er anders over.
De eeuwige heeft ons eerbetoon niet nodig. Het is geen aardse potentaat uit de oude doos die bewierookt, gevleid wenst te worden. Met “goede werken de hemel verdienen” is een gedachte die inspeelt op het menselijke egoïsme en daarom alleen al afkeurenswaardig. In de Thora komt de tekst voor: “De mens die deze dingen doet, zal door dezelve leven”. Daar zit een kern van waarheid in. In psychologische zin. Weldoen adelt het karakter. Toch is ook dat bijzaak. Persoonlijk welgevallen of teleurstelling mag geen rol spelen.
Centraal dient te staan: de doelgroep, zowel praktisch als theoretisch.
Bij discussies over de organisatie van één of andere Aktie: de doelgroep.
Bij de persoonlijke vraag: waarom doe ik dit of dat?: de doelgroep, om die te helpen.
Bij dagelijkse omgang met mensen en medeschepselen: de doelgroep!
Verder met verstand en overleg te werk gaan. Er moet duidelijk sprake zijn van hulpbehoevendheid. En er moet de praktische mogelijkheid zijn om te helpen.
Verder: oppassen voor misbruik, zoals in het vervolg op het verhaal van de Samaritaan. Toen die een week later die zelfde plek weer passeerde, lagen er 2. Enfin die ook maar geholpen. En een weekje later 5, etc. etc.
Conclusie: Alles wat maar zweemt naar egoïsme: uitbannen!
Een altruïstische geesteshouding cultiveren!
De doelgroep staat centraal.
Elke doelgroep is een doelverzameling en maakt deel uit van de hoofdverzameling: al wat leeft ,al wat bestaat, al het zijnde.
Aad van de Perk
DADEN VAN LIEFDE HOE IEDER VAN DE LEDEN VAN DE WERKGROEP DIT BELEEFD HEEFT
Daden van Liefde
Fientje Van Otten: eindnotities
24 april 2007
Toen Levi tijdens vorige bijeenkomst heel laconiek de vraag stelde: hoe zou je dit boek (Daden van Liefde) kunnen samenvatten, wist hij niet hij ons denk- en werkstof bezorgde om ons eigen persoonlijk antwoord te geven op de vraag: Wat boeit je in dit werk? Wat heeft je aangesproken en wat niet?
Voor mij persoonlijk sluit dit aan bij de meer algemene vraag: waarom ik van K. houd? En dat is omdat hij in zijn denken en leven, als mens, als kristen, als filosoof de plaats opzoekt waar tussen God en mens vrijheid ontstaat en deze plaats heet ‘liefde’ (een citaat dat ik ooit in een werk over hem las, ik weer niet meer waar). Dit is de plek waar ik ook zou willen staan en blijven, bij die God van Liefde, die niet voor zichzelf hield, maar alles in liefde gaf… De liefde is slechts wat hij is door er te zijn in U!... Gij die overal aanwezig bent en nooit zonder getuigenis. (Cf. inleidend gebed in dit deel, p. 16).
Het boek omschrijft ‘Daden van Liefde’ als ‘sporen van die God’ die zich kenbaar maakte in de in de tijd gekomen Jezus, die de mens het bestaan van de Geest leerde, (m.a.w. van die Liefde) en wat de mens, die de gestelde hypothese aanvaardt, op zich neemt en kan verwachten.
In deel II dat we dit jaar hebben gelezen worden uitvoerig de onvoorstelbare mogelijkheden van de liefde bezongen, zoals bij Paulus in zijn Corinthiënbrief, maar hier in 10 hoofdstukken. Ik heb de indruk dat het eerste hoofdstuk eigenlijk alles draagt:
De liefde bouwt op…
K. noemt het ‘de overdrachtelijke wekker en bewerker van werkelijkheid-die-het-leven-is. Liefde geeft structuur, is dragende kracht, bron van licht en leven, steeds positief. Het negatieve is haar vreemd… de overige beschrijvingen geven hieromtrent meer verduidelijking wanneer hij zegt:
Liefde gelooft alles
Als tegengesteld aan wantrouwen
Liefde hoopt alles
Als tegengesteld aan ‘wanhoop’ en ‘vertwijfeling’
Liefde zoekt niet zichzelf
Is gericht op de andere,n waarbij ‘mijn en dijn’ wordt opgeheven, opgetild in de ware liefde die God is.
Liefde bedekt een menigte van zonden
Is geduldig, vergevingsgezin, niet uit naïviteit of lafheid, maar als uiting van inzicht in de aard van zonde en zondaar
Liefde blijft
Haar bron droogt nooit op en draagt het gehele bestaan
Dat zijn wat mij betreft, de voornaamste bakens die K. uitzet: de overige hoofdstukken – bvb dat je de doden moet gedenken, dat ‘barmhartigheid’ ook verwacht wordt als je niets te geven hebt, zijn verduidelijkingen.
Waar het eigenlijk op aankomt – en dat staat verscholenb oop pag. 362, zo ergens tussenin – ‘je in alles verhouden tot God’, wat de Latijnen noemden “coram Dei” – voor Gods Aanschijn, in Zijn Tegenwoordigheid. En zo ben ik dan weer op de plek beland waar ik zou willen staan en waar ik in het begin over sprak.
Dat was voor mij, heel in het kort, de lectuur van ‘Daden van Liefde’.
Fientje Van Otten
DADEN VAN LIEFDE HOE IEDER VAN DE LEDEN VAN DE WERKGROEP DIT BELEEFD HEEFT
Daden van Liefde
Hedwig Van Damme: Persoonlijke Samenvatting
Een vraag van Levi Matuszczack: hoe zou je op één pagina voor jezelf de betekenis van dit werk van S. Kierkegaard noteren?
Hier dus alvast een poging:
K. laat zich de Daden van Liefde inspireren door de bekende passage ‘als ik de liefde niet heb’ uit I Cor. XIII, maar voor het zo ver is cirkelen zijn gedachten om het gebod van de liefde: gij zult uw naaste liefhebben.
Tekenend is de innerlijkheid, het gaat om een geheim, het gebeurt in het diepste van de mens en is niet in woorden te vatten. Toch herkent men de ware ingesteldheid aan de daden, zoals de boom aan de vruchten wordt herkend.
Ter illustratie (2de deel) commentarieert hij uit I Cor. VIII en XIII:
- de liefde bouwt op / de liefde gelooft alles (en wordt toch nooit bedrogen) / de liefde hoopt alles (en wordt toch nooit beschaamd) / de liefde zoekt niet zichzelf / de liefde vergeeft alles / de liefde blijft (ook over de dood heen).
Goddelijke liefde is uit eeuwigheid ontstaan en in eeuwigheid geworteld; ze is zonder de tekortkomingen van de menselijke liefde, die zo vaak vertroebeld wordt door eigenbelang en zelfbedrog, terwijl juist het offer onontbeerlijk is.
K. worstelt duidelijk met het onderwerp. Hij verkondigt geen blijde boodschap waar een vonk van overslaat naar de lezer.
Hij is m.i. niet te benijden met zijn diep, maar zo weinig vreugdevol geloof. Als je hierover nadenkt, is het boek des te waardevoller, als een rusteloos zoeken naar een vertrouwensvolle geloofshouding, met verplaatsing van de kern ervan van het hoofd naar het hart.
Hedwig Van Damme
26. april 2007
DADEN VAN LIEFDE HOE IEDER VAN DE LEDEN VAN DE WERKGROEP DIT BELEEFD HEEFT
Daden van Liefde
Hedwig Van Damme: Persoonlijke Samenvatting
Een vraag van Levi Matuszczack: hoe zou je op één pagina voor jezelf de betekenis van dit werk van S. Kierkegaard noteren?
Hier dus alvast een poging:
K. laat zich de Daden van Liefde inspireren door de bekende passage ‘als ik de liefde niet heb’ uit I Cor. XIII, maar voor het zo ver is cirkelen zijn gedachten om het gebod van de liefde: gij zult uw naaste liefhebben.
Tekenend is de innerlijkheid, het gaat om een geheim, het gebeurt in het diepste van de mens en is niet in woorden te vatten. Toch herkent men de ware ingesteldheid aan de daden, zoals de boom aan de vruchten wordt herkend.
Ter illustratie (2de deel) commentarieert hij uit I Cor. VIII en XIII:
- de liefde bouwt op / de liefde gelooft alles (en wordt toch nooit bedrogen) / de liefde hoopt alles (en wordt toch nooit beschaamd) / de liefde zoekt niet zichzelf / de liefde vergeeft alles / de liefde blijft (ook over de dood heen).
Goddelijke liefde is uit eeuwigheid ontstaan en in eeuwigheid geworteld; ze is zonder de tekortkomingen van de menselijke liefde, die zo vaak vertroebeld wordt door eigenbelang en zelfbedrog, terwijl juist het offer onontbeerlijk is.
K. worstelt duidelijk met het onderwerp. Hij verkondigt geen blijde boodschap waar een vonk van overslaat naar de lezer.
Hij is m.i. niet te benijden met zijn diep, maar zo weinig vreugdevol geloof. Als je hierover nadenkt, is het boek des te waardevoller, als een rusteloos zoeken naar een vertrouwensvolle geloofshouding, met verplaatsing van de kern ervan van het hoofd naar het hart.
Hedwig Van Damme
26. april 2007
DADEN VAN LIEFDE HOE IEDER VAN DE LEDEN VAN DE WERKGROEP DIT BELEEFD HEEFT
Levi Matuszczack - Jan Gysen - Genk
Kierkegaard - Werkgroep - FVG te Antwerpen. (27.04.07)
In daden van liefde inspireert Søren Kierkegaard zich vooral aan Paulus en zijn Hooglied van de liefde.
1 Korinthiërs 131 Al ware het, dat ik de talen der mensen en der engelen sprak, en de liefde niet had, zo ware ik een klinkend metaal, of luidende schel geworden.
2 En al ware het dat ik de gave der profetie had, en wist al de verborgenheden en al de wetenschap; en al ware het, dat ik al het geloof had, zodat ik bergen verzette, en de liefde niet had, zo ware ik niets.
3 En al ware het, dat ik al mijn goederen tot onderhoud der armen uitdeelde, en al ware het, dat ik mijn lichaam overgaf, opdat ik verbrand zou worden, en had de liefde niet, zo zou het mij geen nuttigheid geven.
4 De liefde is lankmoedig, zij is goedertieren; de liefde is niet afgunstig; de liefde handelt niet lichtvaardiglijk, zij is niet opgeblazen;
5 Zij handelt niet ongeschiktelijk, zij zoekt zichzelve niet, zij wordt niet verbitterd, zij denkt geen kwaad;
6 Zij verblijdt zich niet in de ongerechtigheid, maar zij verblijdt zich in de waarheid;
7 Zij bedekt alle dingen, zij gelooft alle dingen, zij hoopt alle dingen, zij verdraagt alle dingen.
8 De liefde vergaat nimmermeer; maar hetzij profetieën, zij zullen te niet gedaan worden; hetzij talen, zij zullen ophouden; hetzij kennis, zij zal te niet gedaan worden.
9 Want wij kennen ten dele, en wij profeteren ten dele;
10 Doch wanneer het volmaakte zal gekomen zijn, dan zal hetgeen ten dele is, te niet gedaan worden.
11 Toen ik een kind was, sprak ik als een kind, was ik gezind als een kind, overlegde ik als een kind; maar wanneer ik een man geworden ben, zo heb ik te niet gedaan hetgeen eens kinds was.
12 Want wij zien nu door een spiegel in een duistere rede, maar alsdan zullen wij zien aangezicht tot aangezicht; nu ken ik ten dele, maar alsdan zal ik kennen, gelijk ook ik gekend ben.
13 En nu blijft geloof, hoop en liefde, deze drie; doch de meeste van deze is de liefde.
Volgens Kierkegaard is liefde concreet en gecon-centreerd op de persoon. Daardoor is hij nu nog actueel en laat hij ons inzien dat wij niet moeten vluchten in abstracte vage gevoelens die zelfs kunnen leiden tot extreem nationalisme, overdreven vader-landsliefde en ziekelijk racisme.
In zijn ‘Daden van liefde’ zoekt hij naar plaats waar de mens God kan ontmoeten. Naar die plaats wordt men gedreven door een intens verlangen naar volheid van zijn, bewustzijn en vreugde. Van dat verlangen vinden we een glimp terug in de Bhagavid-Gita 11,31. in Ps. 63. 1-4 en later bij Indische schrijvers als Kabir en later Tagore.
Bhagavid-Gita 11.31
O Grote Heer,
Onbegrjpelijk en onvatbaar,
laat me weten, wie Je bent.
Kom tot mij,
Die U voor alles zoekt
En Je bedoeling weten wil.
Ps. 63. 1-4
God, mijn God, naar U blijf ik zoeken,
Mijn ziel dorst van verlangen naar U;
al wat ik ben, smacht naar U
in een troosteloos, dor land zonder water.
Een gedicht van Kabir
Zoek je naar mij ?
Ik zit in de volgende zetel.Met Mijn schouder tegen de jouwe.Je zult mij niet vinden in de stupa’s,
niet in de Indische heiligdommen,noch in synagogen, noch in kathedralen :niet in de massa’s, noch tussen de benengedraaid rond jouw nek,
noch in het groentedieet.Ben je echt op zoek naar mij,
dan kun je mij ogenblikkelijk zien-je kunt mij vinden
in het nietigste huisje van de tijd.
Kabir zegt :
Zoeker, zeg eens, wat is God ?Hij is de adem in de adem.
Een gedicht van Tagore
Houd op met dit zeurend zingen.
Uw geprevel wordt eentonig.
Wie vereert u in die sombere tempelhoek?
Hij die u aanbidt ontwaar ik hier niet.
Maar ga naar het veld, waar de boer ploegt.
Ga waar de wegenbouwers stenen verbrijzelen.
U vindt Hem daar waar het leven hard is,
daar waar men moet werken en zwoegen.
Doe mee. Leg uw gewijde gewaden af,
Aanvaard uw taak en doe wat moet.
U wilt vrijheid? Welke vrijheid? Waar?
Zie hoe onze Meester met zijn werk verbonden is!
Heel zijn grootse schepping is niets anders dan
een spel van voortdurende bevrijding.
Houd op met denken en dralen.
Laat al die bloemenoffers.
Trek uw werkkleding aan
En aanvaard uw eigen taak.
Dan pas wordt u een met Hem,
zoals een druppel water
volledig wordt opgenomen
in die oneindige schepping.
Eenmaal God gevonden is de weg naar de naaste getekend.
"Meester, wat is het grootste gebod in de wet?’ Hij antwoordde: ‘Heb de Heer, uw God, lief met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand. Dat is het grootste en eerste gebod. Het tweede is daaraan gelijk: heb uw naaste lief als uzelf. Deze twee geboden zijn de grondslag van alles wat er in de Wet en de Profeten staat.’" (Matteüs 22:36-40).
De man van Nazareth kwam alles een beetje eenvoudiger maken. De eerste vier geboden liggen vervat in: Heb de Heer, uw God, lief met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand." Daarna worden de laatste zes geboden in de rest van de uitspraak samengevat: "heb uw naaste lief als uzelf."
De liefde, als daad, schept ruimte. Waardoor we een zekere vrijheid ervaren. een existentieel-ethische analyse in een religieus proces kan ons de concrete werkelijkheid van een christelijke liefde verhelderen. En Kierkegaard wil dat voor ons doen. Hoofdthema van Daden van liefde is de christelijke naastenliefde die bouwt op het gebod: ‘Gij zult uw naaste beminnen als uzelf’. En dit is toch erg moeilijk in een verburgerlijkte maatschappij. Hij laat ons ook aanvoelen dat de goddelijke liefde de menselijke voorafgaat.
Als hij spreekt over zijn naaste liefhebben als zichzelf dan wijst hij er op dat wij op de juiste wijze ook onszelf moeten liefhebben. Op die wijze wordt de christelijke liefde de volkomen vervulling van de menselijke existentie. ‘Heb uw naaste lief als uzelf.’:is een opgave die bij ieder mens opnieuw begint.In die zin kunnen we de volgende citaten van hem ook begrijpen.
a Het christendom is geen leer, maar bestaansmededeling. Daarom begint het elke generatie weer opnieuw. Al die geleerdheid van vorige generaties is eigenlijk overbodig. Zij is wel niet te versmaden als zij zichzelf en haar grenzen kent, maar ze wordt gevaarlijk als dat niet het geval is.
a Het christendom heeft elke generatie weer iemand nodig die onvoorwaardelijk en radicaal uitspreekt wat het christelijke is. Als het dan zijn lot wordt door alle dominees te worden uitgelachen en gehoond, dan staat vast dat heel die christenheid louter inbeelding is.
Liefde is concreet. En als je die geboden volbrengt zul je leven. We moeten God boven alles liefhebben, maar die liefde tot God blijft toch gelijkwaardig aan de naastenliefde en de liefde tot zichzelf. Het onderscheid zit niet in de wijze van liefhebben, wel in het subject dat we moeten liefhebben. De liefde van en tot God prevaleert steeds over de naastenliefde en de liefde tot zichzelf, omdat de liefde van God tot de mens het eerst is. “God heeft ons het eerst liefgehad” (1 Joh. 4, 10).
Johannes zegt verder in zijn brief dat de liefde tot God onwillekeurig ook liefde tot de naaste tot gevolg heeft, zoniet is de liefde tot God geveinsd. “Als iemand zegt dat hij God liefheeft, terwijl hij zijn broeder haat, hij is een leugenaar. Want als hij zijn broeder die hij ziet niet liefheeft, kan hij God niet liefhebben die hij nooit heeft gezien. Dit gebod hebben we dan ook van Hem gekregen: wie God liefheeft moet ook zijn broeder liefhebben” (1 Joh. 20-21).
‘Socrates in Kopenhagen’
Hoera, ik mag weer terug naar Socrates!
Ik weet zeker dat ik niets zeker weet, is zijn les
Ook jij, lieve Søren, wilde ons wakker schudden
Los moesten we, weg van de christelijke kudde
Het gaat niet langer om dé waarheid of hét leven
We hoeven niets meer om standaarden te geven
Het gaat om wat ik doe met mijn leven en wat ik vind
Een enkeling ben ik, die zich op mij voor God bezint
De onzekere en labiele basis van mijn existentiële zijn
De absurditeit, angst, schuld en allerlei pijn
De spiegel die je voorhoudt en ook mij leert
“wanneer een aap erin kijkt, geen apostel reflecteert”
Ik ben verantwoordelijk voor mijn bestaan, helder en concreet
Mét de zekerheid van het weten dat ik (gelukkig!) niets zeker weet
Bestaan doorregen van denken en niets dat er zweeft
Het bestaan kan niet worden gedacht. Het moet worden geleefd! (onbekend)
Verschijnt oktober 2007
Wat de liefde doet.
Søren Kierkegaard
Een aantal christelijke overwegingen in de vorm van toespraken.
Vertaald door Lineke Buijs en Andries Visser
Ieder mens heeft behoefte aan liefde; aan geliefd te zijn en lief te hebben. Wie het spoor van de liefde zoekt, vindt in Søren Kierkegaards Wat de liefde doet een rijkdom aan inspirerende en opbouwende gedachten.
Kierkegaard ziet liefhebben als een vermogen dat ieder mens bezit. Tegelijk is liefhebben een opdracht. In het eerste deel van het boek staat hij stil bij de oorsprong en het wezen van de liefde, maar dan wel met het oog op wat de liefde doet. In deel twee stelt hij allerlei eigenschappen van de liefde in het dagelijks leven aan de orde: liefde heeft verwachtingen, zoekt vertrouwen, heeft altijd weer hoop en zoekt in uitzichtloze situaties een begaanbare weg.
Kierkegaard prijst de weg van de liefde aan als een menselijke weg: "Wie kunst en wetenschap aanprijst, verdeelt de mensen in begaafden en nietbegaafden; wie de liefde aanprijst maakt allen gelijk." De liefde komt in dit boek zo praktisch aan de orde dat lezen en herlezen een aanrader is voor elke liefhebber. Op de vraag wat liefde is, zal een antwoord dat voldoet niet te geven zijn. Op de vraag wat liefde doet, volgt werk voor een heel leven. Vanuit dit onderscheid schreef de filosoof en theoloog Kierkegaard zijn boek. En ziet hij kans het genoemde onderscheid op te heffen: "Wat de liefde doet, dat is ze, en wat ze is, dat doet ze."
Redactie Søren Kierkegaard Werken: Paul Cruysberghs, Udo Doedens, Frits Florin, Johan Taels, Karl Verstrynge, Andries Visser, Pieter Vos, Onno Zijlstra. (Damon)
Soren Aabye Kierkegaard
DADEN VAN LIEFDE
S. Landuyt: algemeen besluit
“Voor het ontwaken van de geest leefde de mens in het tijdelijke; de taal die hij daarbij gebruikte was eenduidig op dit tijdelijke afgestemd. Na het ontwaken van de geest werd de taal niet veranderd, maar dubbelzinnig en zowel gebruikt door de mens die louter in het tijdelijke leeft als door de mens wiens oog gericht staat op het eeuwige”. Deze eenvoudige toelichting van de vertaalster van Kierkegaard’s “Daden van Liefde” bij Hoofdstuk I van Deel II staat daar zo maar en toch vat ze kort en krachtig samen wat de voortdurende tweezinnigheid, twee - duidigheid is van wat Kierkegaard onder liefde, daden van liefde beschrijft, elk hoofdstuk weer. De eerste betekenis is er een van het tijdelijke, het kortzichtige, “dichterlijke”, het momentele. Het representeert iets van wat Kierkegaard elders “het esthetische” stadium zal noemen. Dit is niet wat onder “Het Moment” echter of “De Gebeurtenis” verstaan moet worden; deze horen thuis in de tweede betekeniswereld. Met het gebruik in de tweede betekenis zal K. de eeuwige, werkelijke, de wezenlijke, de in God en in de Godontmoeting aanwezige betekenis beschrijven. Zo staat ook de betekenis van de soms bedenkelijke “liefdadigheid” van de “compassionate society” (de formulering van dit rechtvaardigheidsgevoel is van G.W. Bush) meestal dicht bij de tijdelijke betekenis van het woord, verre van de Daden van Liefde of Liefde in werkelijkheid en in wezen van het Gebod van de Liefde, van de mystieke Liefde, van de “goddelijke deugd” van de Liefde. Men moet inderdaad met dezelfde woorden beschrijven wat de tijdelijke, zeer vergankelijke betekenissen zijn van passionele liefde en van afstandhoudende milddadigheid als degene die men moet gebruiken om de vermogens te beschrijven van de ziel tot beminnen van God en de evenmens. Dit is het soort van liefde die in de ziel neergelegd wordt als een gave van God in Zijn Ontmoeting met de mens, onder de vorm van vermogen tot wezenlijk liefhebben. Liefde dus en Ware Liefde, beperkte liefdadigheid en daden van liefde.
De innerlijke tweespalt die aldus blootgelegd wordt – want zo beschrijft Kierkegaard het voortdurend – wordt wel met veel nadruk gebracht en bijna met minachting voor het tijdelijke in de beleving van de liefde. Alsof ook daarin de Liefdedaad al niet komt kijken! Terwijl dan weer de ware Liefde gebracht wordt in termen van het strenge, onvervreemdbare (exclusieve?) gebod van het Christendom. Jawel, de tijdelijke liefde is zeer eindig en zoals alle eindige biologische gegevens bevat ze de treurnis, zoniet de angst van de aarde. Maar toch is ze niet onwaardig of te minachten. En jawel, de ware Liefde is een gebod, omdat de Liefde niet (meer) vanzelfsprekend is voor de mens in de toestand van verval in het tijdelijke en de aliënatie van zijn zielsvermogens waarin hij door de zondeval geraakt is. Deels vervreemd van God en van het “kindly Light”(Newman) en onmachtig om zich daaruit te verlossen op eigen vermogen of kracht. En hoe meer vervreemd of zelfs verblind het menselijke bewustzijn wordt in zijn geestelijke vermogens - door de actueel bedreven ‘kwade daden’ - hoe meer het verbod “onmenselijk” lijkt, ondoenbaar, onverenigbaar met enig geluk. Inderdaad de tragiek van deze spanningsboog is zichtbaar aangegeven in de mensheid als individu en als gemeenschap der volken. Maar het gebod is een “zoet gebod”, een glijmiddel om de opdracht gemakkelijker te kunnen vervullen en de liefde vooralsnog te bereiken. Gods hand is een liefdevolle en tedere handreiking of vingerwijzing. Er ligt geen toorn of wraak in. En het is reeds gehoord door anderen, ook niet – christenen.
Kierkegaard is kind van zijn tijd. De gehele problematiek van onrecht en onrechtvaardigheid die ons zo welbekend is, blijft hier bij hem onbesproken. Het spanningsveld tussen de “Compassionate Society” die de rijke mens zijn rijkdom zedig laat behouden (anders kon die niet meer geven uit zijn overvloed…) en het ‘gebod van sociale rechtvaardigheid en gelijkwaardigheid van de mensen’ blijft totaal onbesproken. Karl Marx is nog niet gepasseerd.
Voor mij is dit boek een wegwijzer geweest en een geestgenoot. Als ik mezelf innerlijk aanhoor en het innerlijk discours van mijn geest beluister, vind ik in Kierkegaard een vriend en bondgenoot. Maar ik prijs me gelukkig dat ik niet zo droevig gestemd ben als hij toch soms lijkt te zijn.
zondag, mei 20, 2007
Werkgroep Bijeenkomst van 30 maart en 27 april 2007
Kierkegaard Werkgroep - Verslag van de bijeenkomst van 27 april 2007
Aanwezig: Jan Gysen, Sam Landuyt, Levi Matuszczack, Hedwig Van Damme, Rit Vandenbergh, Aad Van der Perk, Fientje Van Otten,, André Vermaut, Chris Vonck,
Verontschuldigd:
Zoals afgesproken hebben we in deze bijeenkomst de leden van de werkgroep elk hun eindevaluatie horen verhalen over het boek Daden van Liefde, waarvan we op deze manier de lezing beëindigen. We geven u integraal de tekst weer van de eerste verslagen.
Levi Matuszczack en Jan Gysen
Hedwig Van Damme
Fientje Van Otten
Sam Landuyt
Volgende vergadering (op 25 mei) komen nog aan beurt
Aad van der Perk
Rit Van den Bergh
Chris Vonck
Deze persoonlijke eindappreciaties en de lijst van publicaties van boeken die ons dit jaar hebben bereikt en waarvan al dan niet een bespreking gemaakt werd, kunt u binnenkort integraal lezen op onze weblog: http://werkgroepkierkegaard.blogspot.com/
Volgende bijeenkomst: vrijdag 25 mei 2007 te 16 uur
Sam Landuyt.
Verslag bijeenkomst 30 maart 2007
Aanwezig: Jan Gysen, Sam Landuyt, Levi Matuszczack, Aad Van der Perk, Hedwig Van Damme, Fientje Van Otten, André Vermaut,
Verontschuldigd: Rit Vandenbergh, Van Gijspe, Chris Vonck,
Met deze vergadering zijn we eindelijk aan het Besluit van Daden van Liefde gekomen en we blikken terug op het boek, terwijl we het besluit doornemen. We maken ook plannen voor de toekomst.
Wat het Besluit zelf betreft en de Verklarende Opmerkingen van de vertaalster achteraf, zien we in dit deeltje alle kenmerken en ook wel ‘zwakke’ kanten van Kierkegaard “als in een notendop” verenigd. Een echt Reformatorisch betoog, geschreven en gedreven door Kierkegaard in zijn ijver voor de waarheid en voor Christus tegelijk. Het is alsof K. zelf wil zeggen met de apostel: “beminden, laat ons elkaar liefhebben” en dan weer terugschrikt (in besef van onze menselijke onmacht, uit christelijke bescheidenheid en schrik voor een dwaalspoor van de overmoed, uit zondebesef?) en haastig terug onderlijnt: “naar christelijk begip is liefhebben een bevel”.
En nu nog één ding, zegt hij dan: houdt het christelijke gelijk om gelijk, het gelijk om gelijk van de eeuwigheid in gedachten”.Een besluit over de strengheid van het bevel van de liefde, ook al heeft het christendom het Joodse oog om oog afgeschaft en het gelijk om gelijk van de eeuwigheid in de plaats gesteld. God als opvoeder met de blik van de vader.
Wij, ‘latijnse’ geesten en vooral wat meer aan onze zintuiglijke genoegens gehechte mensen voelen ons al het hele boek wat ongemakkelijk met die meer Noordelijke? reformatorische? Tjdsgebonden? persoonlijke? kenmerken van strengheid en zachte melancholie op de achtergrond van het boek. Het is zowat het enige waar we echt last mee hadden, zo meen ik toch begrepen te hebben uit onze reacties allerhande. Samen met de worsteling met het tweevoud van betekenis van de begrippen in de taal die Kierkegaard noodgedwongen moet hanteren en waarvan de vertaalster in een Verklarende Opmerking bij hoofdstuk I van Deel II schrijft (pag. 373) over het overdrachtelijke van de woorden: Vóór het ontwaken van de geest, leefde de mens in het tijdelijke; de taal die hij daarbij gebruikte was eenduidig op dit tijdelijke afgestemd. Na het ontweken van de geest wordt de taal niet veranderd, maar dubbelzinnig en zowel gebruikt door de mens die louter in het tijdelijke leeft, als door de mens wiens oog gericht staat op het eeuwige”. Dit in het oog houden voorkomt veel discussie over de betekenis van de woorden bij K. in dit boek (tijdelijke versus eeuwige met name en de verschillende betekenis van de woorden hierbij).
De vraag van Levi: “Hoe zou je dit boek nu kunnen samenvatten?” doet ons besluiten om volgende keer elk, op één bladzijde, onze eigen besluiten aan elkaar voor te leggen.
We denken er aan om vanaf september de gebeden van Kierkegaard als leidraad te nemen en ze meteen telkens te proberen te situeren in zijn leven en zijn ontwikkeling van dat moment.
Volgende bijeenkomst: vrijdag 27 april te 16 uur.
S. Landuyt
dinsdag, maart 20, 2007
Bijeenkomst Werkgroep 23 februari 2007
Aanwezig: Jan Gysen, Sam Landuyt, Levi Matuszczack, Hedwig Van Damme, Rit Van den Bergh, Aad Van der Perk, Fientje Van Otten, André Vermaut, Chris Vonck.
Zoals afgesproken zou het eens iets anders zijn. Fientje Van Otten had gesuggereerd eens een praktische beleving van ‘Daden van liefde’ voor te stellen aan het ‘Kierkegaard-plenum’. Onder het thema ‘Incredibile India’ zou Dr. Jan Gysen spreken over zijn ‘Institute for Mother and Child’ ‘IIMC’ in Calcutta en Fientje met haar India-sympatisanten zouden commentaar geven bij de NGO’s die ze in januari bezochten in Gujarat.
Het IIMC is gegroeid uit de straaturgentie van Calcutta waar Dr. Jan, samen met het Rode Kruis, the Vivekananda-mission en Mother Teresa aan een straatjongen, Sujit’ de mogelijkheid gaf om arts te worden. Na zijn Indische studies mocht hij vier jaar aan de KUL specialiseren in pediatrie. Daarna vertrok hij terug om bij Mother Teresa te werken om na 2 jaar zijn eigen praktijk te beginnen. Hij startte in zuid-Calcutta in een eenvoudige koeienstal, bouwde met geld in België bijeengekregen, een school en wist na enkele jaren andere jonge dokters aan te trekken om hem te helpen. Het werk breidde zich enorm uit en verschillende dorpen vroegen om hun aanwezigheid. Met de absolute voorwaarde van gelijkheid tussen jongens en meisjes kwamen er in 15 jaar twintig lagere scholen tot stand en 5 medische centra. Jaarlijks worden er 100.000 patiënten verzorgd. Ze betalen inschrijvingsgeld (3 roepies= 3 oude Bfr.) waardoor we naam en plaats weten, maar ze krijgen daarvoor behandeling en medicatie gratis. Het instituut heeft een beheerraad met universiteits-professoren en mensen uit de industrie. Naast medische hulp zijn er uitgebreide sociale voorzieningen, Grameenbank, gratis rechtsbijstand, een Food-processing unit, een snit- en naadafdelingen en een centrum voor opleiding van jonge meisjes tot dorpsverpleging. Dagelijks wordt met 2 ambulancewagens of met een mobiele kliniekbus medische verzorging verleend in verschillende dorpen. Het gebied bestrijkt ongeveer de grootte van de Vlaamse provincies en heeft een bevolking van 8.5 miljoen mensen, hoofdzakelijk Hindoes. Het project wordt deze maand in Australië op de wereldconferentie van NGO’s voorgesteld als ‘modelproject van hedendaagse ontwikkelingshulp’. Dr. Jan die de ontwerper en bezieler van dit project is zal daar samen met Dr. Sujit Brahmochary een uiteenzetting geven. Een bekroning na 25 jaar India-activiteit.
De reportage over de eerste India-ervaring van Fientje en Co was aangenaam. Met een reeks beelden over verschillende NGO’s kwamen we er achter dat projecten vanuit de basis moeten groeien. Zij verbleven in de staat Gujarat waar de roots van Mahatma Gandhi liggen en brachten boeiende taferelen mee van de zoutwinning in de woestijn en het werk aan het spinnewiel. Aan iedere dia hing een oosters verhaal en een westerse verwondering. Het was treffend hoe in ieders beleving een drang naar liefde doorklonk. Ook waren ze te gast bij ‘diamantslijpers’ in opleiding. Ze besloten met enkele mooie en aangename beelden van gelukkige vrouwen die door de werking van de NGO’s hun waardigheid leerde kennen. Dankbaarheid kan zich niet mooier uitdrukken.
‘Daden van liefde’ kreeg met deze beide voorstellingen iets uit de praktijk. Ditmaal geen filosofische benadering maar getuigenissen met een warme hartelijkheid.
Volgende bijeenkomst: vrijdag, 30 maart 2007 om 16 uur – keren we terug naar de filosofische benadering en staat de verdere bespreking van het besluit van het boek Daden van Liefde op het programma.
Sam Landuyt.
Bijeenkomst Werkgroep 26 januari 2007
Aanwezig: Jan Gysen, Sam Landuyt, Levi Matuszczack, Rit Van den Bergh, Aad Van der Perk, Fientje Van Otten, André Vermaut, Chris Vonck.
Verontschuldigd: Hedwig Van Damme, Marc Goetinck.
Daden van Liefde II, hoofdstuk X - De Liefdedaad om de liefde aan te prijzen
Zelfverloochening naar binnen toe, is waarin de daad van aanprijzen van de liefde moet gebeuren. Het woord zelfverloochening (pag. 338) roept vragen op. Wat staat er precies in het Deens? Het betekent, in de context genomen, wel zo veel als ‘zichzelf niet als het centrum of referentiepunt van de wereld bezien’, afzien van eigen glorie. Toch niet een ziekelijke neurotische negatie van het ik in zijn levensbelangen? Zo moet ook naar buiten toe dit aanprijzen van de liefde in onbaatzuchtigheid gebeuren, het pendant van de zelfverloochening naar de innerlijkheid toe.
K. beklemtoont andermaal de universaliteit van de liefde en haar veeleisendheid, of is het alles eisend, in absolute zin eisend, vandaar het gebod van de liefde? U moet ze allemaal liefhebben, de mensen.? Niet preferentieel één of enkelen of degenen die je bevallen, maar allen, zonder onderscheid. Hoe is dit precies te verstaan bij K. en… bij Christus? “"En iedereen die zijn huis, broers of zussen, vader of moeder, vrouw, kinderen of akkers heeft prijsgegeven om mijn Naam, zal het honderdvoudig terugkrijgen en eeuwig leven ontvangen" (Mt. 19,29 en Mk. 10, 29, Lk.18, 29) . Is dit een typisch joods – christelijke benadering - bvb niet zo geformuleerd in de hindoewijsheid - in de context van zondeval en verlossing? Wat is “de zelfzucht van de menselijke geest die moet gebroken worden wil men de ware verhouding tot God winnen”? (pag. 339). Of is liefde ingebouwd, als overal aanwezige mogelijkheid, in het leven zelf en in het bijzonder in de levende mens? En staat dan het gebod van de liefde als waarborg tegenover het feit dat liefhebben, daden van liefde stellen niet ‘vanzelfsprekend’ is voor de mens en door hem / haar moet gewild worden? “Wie wil liefhebben wordt het gegeven”
De bespreking wordt zoals steeds geanimeerd, de tekstkritiek wordt verlaten en er wordt meer geput uit eigen belevingen en ervaringen. Dit is meestal het interessantste deel van onze bijeenkomsten, zij het wel het minst filosofisch - rationele deel. Maar we delen onder elkaar onze bijzondere en eigen wijze van liefhebben, van liefde ervaren en beschrijven en ook dat is “aanprijzen van de liefde”.
Volgende bijeenkomst: 23 februari te 16 uur
wijken we even af van het klassiek patroon. Het project van Dr. Jan Gysen in India, waarover hij ons een aantal maanden geleden sprak, is bekroond door Unesco en in maart as. is hij uitgenodigd om dit in Maleisië te gaan voorstellen. Wat bij ons de vraag deed rijzen: als Dr. Gysen ons hiervan nu eens de primeur zou geven en deze ‘concrete’ daden van liefde in de bijeenkomst van februari zou voorstellen. Waarop Fientje Van Otten, pas terug van India, meer bepaald Gujarat, - waar ze ook bijna elke dag geconfronteerd werden met dergelijke ‘concrete’ daden van liefde – voorstelde ook hun ervaringen hieraan te koppelen en de bijeenkomst februari helemaal te wijden aan deze ‘concrete’ daden van liefde, met de nodige fotodocumentatie en toelichting van enkele medereizigers. Voor de vergadering van maart staat dan de bespreking van het besluit van het boek Daden van Liefde op het programma.
S. Landuyt
zondag, januari 07, 2007
Bijeenkomst Werkgroep Kierkegaard 23 December 2006
Aanwezig: Jan Gysen, Sam Landuyt, Levi Matuszczack Hedwig Van Damme, Rit Van den Bergh, Fientje Van Otten, André Vermaut, Chris Vonck. Van Gijspen, Aad Van der Perk
Daden van Liefde II Hoofdstuk IX
De Liefdedaad een Afgestorvene te gedenken (p. 325 – 336)
Boekbespreking: Hans van Munster, Wijsheid van Kierkegaard, Lannoo, 365 teksten verzameld en vertaald door H.v.M. Bespreking volgt
Dit hoofdstuk valt stilistisch uit de toon: het is meer litterair, scherpzinniger, ironischer dan de andere. Kierkegaard - de depressievelling? - had iets bijzonders met de dood. “Kierkegaard” of “Kerkhofs””, what is in a name? “Zo is de dood de meest beknopte samenvatting van het leven of het leven tot zijn kleinste gedaante teruggevoerd” (pag. 325). Knap gezegd. “Ja, ga eens naar de doden om daar zicht op het leven te krijgen” (pag. 325). Maar is het wel waar allemaal, wat K. beweert, de onveranderbare onveranderlijkheid van de afgestorvene in onze herinnering?
Het werd in elk geval een boeiende, emotievolle en sfeervolle kerstvergadering. Levi vertelt over zijn reizen naar Denemarken en bezoeken aan het graf van K. (familiegraf) en van Regina O. (1904) De grafteksten worden geciteerd. De familiestrijd, o.m. tussen de broers K. wordt opgehaald. Graven, familiegraven, verraden stilzwijgend veel over de geschiedenis van de overledenen. Maar dat had K. het niet zo zeer over. Of toch?
De dode verandert wel! (Rit)
Er wordt door de aanwezigen herinnerd aan hoe zij in de momenten van de dood (steeds van de andere!) in deze ‘andere’ bewustzijnstoestand van ernst kwamen, hoe zij bij de stervende het leven zagen wegvloeien, hoe men nog met de pas afgestorvene kan spreken, hoe men er dient mee te spreken, op dat moment en ook later. Spreekt men dan, innerlijk, alleen met de ‘geheugendepots” die als virtuele grafsteen van de afgestorvene aanwezig zijn in ons brein? Of is er reëel contact mogelijk met de afgestorvene. Is hij/zij veranderd en bereikbaar. Illusie of werkelijkheid?
Omdat het geheugen over de dode vanaf het overlijden niet meer aangevuld wordt, wil dat nog niet zeggen dat de dode en het geheugen ervan in ons onveranderlijk en onveranderd blijft. Integendeel treedt er, met de jaren, verandering in, een rijping, katarsis, het kan van alles zijn. Al is de omgang met de doden voor velen alleen een omgang met de herinnering aan de dode, toch verandert juist die herinnering heel sterk, naarmate men met de afgestorvene omgaat, in een inderdaad steeds ernstige relatie. K. drukt die ernst uit door er op te wijzen dat in de dood “iedereen bijna gelijk is” Een mens, herleid tot zijn wezenlijkheid. Gelijk, (en ook gelijkwaardig?) op de grootte van de grafsteen te na. Inderdaad, er is niets zo ernstig als de koning die zonder kleren is. Er is niets dat zo eloquent is als de dode die zwijgt.
Het gaat hier dus ultiem over de ernst waarin we met de doden spreken of de dood ontmoeten in anderen en, ooit, in onszelf. En het gaat over de liefde-in-ernst die we de afgestorvene te bieden hebben.
We gedenken zelfs Roger D. S., ons afgestorven medelid, nu al meer dan twee jaar geleden. Hij was er bij, op een charmante, subtiele wijze, op dit bijzonder kerstfeest anno 2006, in ons gemoed opgeroepen door Andrè V.
Volgende bijeenkomst: vrijdag 26 januari 16 uur.
S.Landuyt
Bijeenkomst Werkgroep 24 November 2006
Aanwezig: Jan Gysen, Sam Landuyt, Levi Matuszczack Hedwig Van Damme, Rit Van den Bergh, Fientje Van Otten, André Vermaut, Chris Vonck. Van Gijspen
Verontschuldigd: Aad Van der Perk
Daden van Liefde Deeel II, VIII: De Overwinning van de Vergevingsgezindheid in Liefde, waardoor de Overwonnene gewonnen wordt (pag 313 – 323)
Kierkegaard gebruikt in elk hoofdstuk ongeveer dezelfde opbouw en structuur, telkens toegepast op een specifiek aspect van de Daden van Liefde. En het blijkt telkens, volgens velen van ons, een echte worsteling met zichzelf. Omdat hij uiteindelijk de religieuze “sprong” in de existentie niet gewaagd heeft? Omdat zijn uiteindelijk burgerlijke en dus beschermde omgeving hem dit belette, omdat hij te neurotisch was en daardoor teveel bleef hangen in zijn innerlijke problematiek (met de vader, met de autoriteit, met de realisatie van de erotisch – seksuele liefde, met zijn angst en melancholische twijfelzucht?) Of is het ondanks al die belemmeringen dat K. er in toch slaagt een meesterlijke introductie te geven, met multipele toepassingen en invalshoeken van de Daadwerkelijke Liefde? De twee zijn geldig.
Hier, in dit hoofdstuk moet K. het gevoel en de geestelijke hoogmoed vermijden van de tegenstander die kwaad deed “overwonnen te hebben”. Want wie strijdt en de tegenstander volledig overwint heeft wel een eerste totale overwinning behaald, maar triomferen daarin vernedert de mens in de tegenstander en belet de tegenstander toenadering en verzoening te aanvaarden met de overwinnaar. Het belet dus de liefdedaad. Daarom zijn er in geestelijke zin altijd twee overwinningen. Een eerste, tijdelijke, die de overwinning is van het slechte door het goede, van de liefdevolle tegen de liefdeloze en een tweede, “waarbij de eerste namelijk bewaard wordt” en veilig gesteld. Dit is de strijd in de aanwezigheid van de eeuwige Derde, God. Het is de strijd om de verzoening, het gevecht om de overwonnene (terug) te winnen in de liefdedaad ervan.. Daardoor hoeft hij niet trots te zijn op zijn eerste, “wereldse” overwinning omdat hij onmiddellijk in een tweede strijd terecht gekomen is met zijn innerlijkheid en met God – de steeds aanwezige Derde. Daarin staat de mens de zege af aan God. Volgen dan prachtige bladzijden over de dialectiek van de verzoening, de deemoed, de vernedering en het voorkomen ervan, in de echt christelijke betekenis van het woord.
We geraken geanimeerd zoals altijd in een gesprek verwikkeld met elkaar over de juiste waarde die we aan de woorden van K. moeten hechten. Zie hierboven de inleiding. We merken dat K. weinig oog heeft voor de collectiviteit (gerechtigheid, sociale rechtvaardigheid bvb). Marx is nog niet gepasseerd aan het westerse denken van K. We zien zijn al te nadrukkelijke en moeilijke worsteling met woorden en voorbeelden, die zijn eigen innerlijke strijd verraden én misschien is er zijn ultieme capitulatie vóór de eindmeet? We ontleden nog wat geweldpleging meebrengt, wat er aan rancune misschien schuilt in K.’s romantische bevliegingen over de “vrouwelijke schroom”.
Volgende bijeenkomst: vrijdag 22 december te 16 uur.
Bijeenkomst Werkgroep Kierkegaard September 2006
Aanwezig: Jan Gysen, Sam Landuyt, Levi Matuszczack Hedwig Van Damme, Rit Van den Bergh, Aad Van der Perk, Fientje Van Otten, André Vermaut, Chris Vonck.
Daden van Liefde Deeel II, VI: Liefde blijft.
In dit hoofdstuk bespreekt K. de onvergankelijkheid van de (ware) Liefde, vooral aan de hand van een voorbeeld van een in de ogen van ‘de wereld’ beproefde en zelfs schijnbaar falende liefdesrelatie man – vrouw. Liefde heeft altijd een nooit opdrogende bron en draagt het gehele bestaan. Want “we spreken over Gods Liefde en haar eigenschap altijd te blijven”. K. spreekt hier wel over “de handelingen ( = daden) van de liefde”, want over menselijke liefde, over de “liefdevolle” mens. De liefde blijft en er is nooit een breuk, nooit ontrouw in de echte liefde, omdat ieder van de twee liefdevolle mensen tevens een verhouding heeft met een derde, de liefde zelf, in zichzelf aanwezig, door ‘er in te blijven’. Als maar één van de twee in de liefde blijft is er geen ophouden van de liefde. Liefde, ware daden van menselijke liefde, behoren tot het eeuwige, d.i. onvergankelijke.
Kierkegaard werkt dit dan uit, aan de hand van alle beproevingen en perikelen die maar denkbaar zijn bij menselijke liefde. Het is merkwaardig om waar te nemen hoe elk van ons in de werkgroep, ondanks de intensieve lezing van het boek Daden van Liefde, ondanks onze vele uitleg en verklaringen aan elkaar, toch grondig blijven verschillen in appreciatie van wat K. eigenlijk zegt en bedoelt en van wat er achter de woorden van K. schuil gaat m.b.t. zijn privéleven (zijn verloving met Regina). Enkelen zien er – en vooral dan weer in dit hoofdstuk – een sublimatie in van zijn eigen liefdesverdriet, een soort van oratio pro domo zelfs tegenover Regina Olsen. Anderen zien vooral het karakter van K. op de achtergrond aanwezig, in de historische context van de Deense burgerij van toen, zijn frustrerend gebrek aan ‘praxis’ van de liefde en van het huwelijk, zijn zeer moeilijke tot onmogelijke relatie tot zijn vader en vandaar zijn “idealistische”, niet existentialistische visie op de liefde. Kierkegaard, door zijn steeds weerkerend onderscheiden van ‘de tijdelijke wereld’ en de ‘eeuwigheidaspecten’ van de liefde, wordt zowaar daardoor meer idealist en Hegeliaan dan existentiefilosoof. Meer dan K. ooit voor lief zou genomen hebben. Anderen vinden de redeneringen van K. heel begrijpelijk, hechten aan de levensomstandigheden van K. geen groter belang dan dat ze aanleiding geweest zijn tot het ware filosofisch élan van K. en geven aan de liefde het krediet van de vertegenwoordiger te zijn van de “werkelijke werkelijkheid”, die verschijnt in de tegenstelling tot de “wereld van de illusie”, in de boeddhistische betekenis van het woord. Of zoals Plato het wellicht ook vermoedde in zijn grot. Zo wordt voor hem - hen? - de liefde de brug naar de eeuwigheidervaring, naar de Godsopenbaring en beleving tegelijk. Nog anderen zien de liefde als overal aanwezige en krachtig schijnend vermogen, kracht, licht dat overal de kosmos en het leven doorstraalt.
Terwijl dus voor de enen de liefde zoals K. ze beschrijft een “idealistische” abstractie is, die aldus niet ‘echt’ bestaat, is ze voor de anderen de werkelijkheid tegenover alle fenomenen van de schijnbaarheid van al de rest op aarde en in de kosmos. Maar tot slot van de bijeenkomst komen we samen eensgezind terug aan bij ons leven, onze kinderen, onze eigen liefdesperikelen en ervaringen met de dagdagelijkse wereld. Waarin we het allemaal wel ook al eens een beetje moeilijk hebben…
Sam Landuyt.
Volgende bijeenkomst: 27 oktober te 16 uur.
maandag, september 18, 2006
Bijeenkomst Werkgroep 23 juni 2006
Aanwezig: Aad Van der Perk, Fientje Van Otten, Sam Landuyt
Verrontschuldigd: Rit Van den Bergh, André Vermaut, Chris Vonck, Jan Gysen, Levi Matuszczack
Kierkegaard, Daden van Liefde, B V: Liefde bedekt de veelvuldigheid van de zonden
Een aantal leden waren wegens ziekte of andere redenen verontschuldigd. Vandaar dat ons gezelschap van drie in de goede junizon buiten bijeenzat en een gesprek hield over het hoofdstuk II V. Liefde bedekt de veelvuldigheid van de zonden.
In dit hoofdstuk herneemt Kierkegaard zijn thema “Daden van Liefde” om het op zijn typische en meesterlijke wijze te commentariëren of liever, van uit een ander perspectief te benaderen.
"Het eeuwige", dat voor K. het gebruikte woord en synoniem is voor “de werkelijkheid zelf”, is zichzelf en bezit niet alleen eigenschappen. “Wat de liefde doet, dat wat zij is, dat doet zij en in één en hetzelfde ogenblik”. Op het zelfde ogenblijk dat de liefde “uit zichzelf treedt”, naar buiten “is zij meteen in zichzelf”. “Wanneer we zeggen: liefde maakt vrijmoedig dan zeggen we daarmee dat de liefdevolle door zijn wezen anderen vrijmoedig maakt”. “In het zelfde ogenblik dat hij de andere verlost van de angst en de dood, verlost hij zichzelf van de dood”. Er treedt een verdubbeling op: wat de liefdevolle doet, dat is hij of dat wordt hij, wat hij geeft dat heeft hij, of juister dat krijgt hij. Het wonderlijke dus “dat men door te geven krijgt en het zelfde krijgt wat men geeft”. De wet van de liefde of de wet van geven en krijgen tegenover de wet van de economie, die de wet is van geven en nemen: “Thit for that”.
Maar dan gaat K. in op “het bedekken van de veelvuldigheid van de zonden”. Bedekken en verbergen in een gebaar van “met open, kinderlijke ogen niets kunnen zien”. En wat hem of haar niet kan ontgaan zal hij of zij verbergen achter een zwijgen, achter verzachtende verklaringen of achter een vergeving. Helemaal iets anders dan naïviteit echter of lafheid. Wel een uiting van doorzicht over de aard van de zonde en de aard van de zondaar.
We hebben nog doorgepraat en even de vruchten besproken van een jaar omgaan met het boek “Daden van Liefde” en ook het perspectief van ons toekomstig studiejaar bekeken. (Dat we omwille van bescheidenheid geen academisch zullen jaar noemen, al hopen we in september terug te starten…). We hopen volgend jaar verder te gaan met dit boek, dat maar niet ophoudt de liefde te zoeken en te proberen te beschrijven tegenover de daden van de angstige, jaloerse, begerige, kortzichtige mens. K. stelt de daden van liefde er tegenover en beschrijft ze, wel een beetje “op z’n negentiende eeuws”, hoe kan het anders, maar toch duidelijk genoeg om voor de 21ste eeuw boeiend en begrijpbaar te zijn. Tot in september aanstaande.
Volgende bijeenkomst: vrijdag 29 september 16 uur in de FVG te Wilrijk.
Sam Landuyt
---------------------
DIT VERSLAG IS DUS METEEN EEN
‘UITNODIGING’ VOOR HET NIEUWE WERKJAAR
Lees alvast het volgend hoofdstuk met de veelbelovende titel ‘LIEFDE BLIJFT’...
Tot vrijdag, 29 september 2006
vrijdag, mei 05, 2006
Bijeenkomst Werkgroep 30.03.2006
Verslag van de Bijeenkomst 30.03.06
Aanwezig: Aad van der Perk, Fientje Van Otten,
Verontschuldigd: André Vermaut, Hedwig Van Damme, Rit Van den Bergh
Tweede Deel Hoofdstuk III: Liefde hoopt Alles en wordt toch nooit beschaamd
Dit hoofdstuk wordt unaniem door ons als fundamenteel beschouwd of: Kierkegaard op zijn beste. Het begint al bij de aanhef: “De H. Schrift probeert… ons aards bestaan tot een feest en plechtig gebeuren te maken… door haar uitzicht op het eeuwige”. Voor Kierkegaard staat “eeuwig” voor “onverwoestbaar”, voor het Zijn, de Werkelijkheid zelf, die onverwoestbaar en “eeuwig”is dus. (Al zal de christen er fijntjes altijd bij willen voegen dat ze wel ooit “geschapen” werd…of haar ultieme zijnsgrond niet in zichzelf vindt). Dit eeuwige staat dan tegenover het “tijdelijke ogenblik” dat “los raakt van de eeuwigheid” Uit dit “belemmerende ogenblik komen” is het grote verlangen van elke mens, verlangen naar een “verlossende beweging”, verlossend uit “het stilstaande” door een “groot verwachtingsvol uitzicht” te krijgen. Pag. 235.
We denken aan Tagore, met zijn “gekooide vogel”. Het christendom doet dat door zijn “beeldende taal” (typische omschrijving door Kierkegaard, cf later ook Ricoeur en Wittgenstein) waarin het christendom verwijst naar “de eeuwigheid”. “Wat een plechtig feest”! .
“Eer en schande” - we denken hierbij aan bisschop Munster en de vader van K. als twee mensen uit zijn directe omgeving die daar heel veel problemen rond maakten in “wereldse” zin - worden door de hoop, “door de beoefening van de Hoop”, overwonnen; En het is de liefde “die groter is dan geloof en hoop” die de beoefening van de hoop op zich neemt, namelijk “de handeling om te hopen voor anderen”.(p. 237). Cf ook in Paulus, 1 Cor. 13: “geloof en hoop zullen vergaan, maar de liefde zal altijd bestaan”, dit omdat de liefde echte werkelijkheid vertegenwoordigt en dus de brug maakt van het aardse vergankelijke naar het eeuwige van de werkelijkheid, het Zijn zelf.
“Liefdevol (de daden van liefde…) alles hopen is het tegengestelde van vertwijfeld ( cf de Vertwijfeling) niets te hopen, noch voor zichzelf noch voor anderen.”.Alles hopen is altijd hopen. Hopen verhoudt zich altijd tot ‘het toekomende’, tot ‘de mogelijkheid’ en dit heeft altijd een dubbele betekenis: voor of achteruit, omhoog omlaag, goede of slechte. Maar het eeuwige IS. Het eeuwige nu treft het tijdelijke niet in het ogenblik, maar in het toekomende of in het mogelijke. Vgl hier even met de roes van het moment, de “kick”, de “happening”, het orgasme van het ogenblik.
De verwachting van ‘het toekomende’ – of datgene wat men hoopt – verdeelt zich door de noodzakelijke keuze op het moment ervan in twee gelijke kansen. De mogelijkheid van ‘het goede’ is hopen, de mogelijkheid van ‘het slechte’ is vrezen. Maar onmiddellijk al na de keuze is het mogelijke veranderd, want de mogelijkheid van het goede is het eeuwige. “Slechts in het “aanrakingsmoment” heeft het dubbele van de mogelijkheid (en de keuze eruit) gelijke kans”.”Door de beslissing de hoop te kiezen beslist men daarom oneindig meer dan het lijkt, want men maakt een eeuwige beslissing” (Pag 238). De mogelijkheid van ‘het slechte’ te kiezen leidt naar vrezen en vertwijfeling. K. zal dat in het tweede deel van het hoofdstuk nader toelichten.
De synthese staat op Pag. 241: “liefdevol alles hopen betekent de verhouding van de liefdevolle tot andere mensen, voortdurend de mogelijkheid open te houden met een oneindige voorkeur voor de mogelijkheid van het goede. Zo hoopt hij liefdevol dat de mogelijkheid van het goede in ieder ogenblik voor de andere mens aanwezig is. Dit betekent dat hij voor de andere mens een steeds heerlijker vooruitgang in het goede hoopt”.Daar tegenover staat dan de vertwijfelde die niet in staat is, door zijn twijfelen, “het goede aan te nemen” en in een spiraal van twijfelen en weer twijfelen ten onder gaat in vrees en beven. De rest van het hoofdstuk lijkt ons dan meer uitwerking te zijn van deze thema’s. Of zijn wij het die niet verder meer wensen te lezen?
Dat doen we opnieuw op vrijdag, 19 mei – 16 uur (uitzonderlijk omwille van afwezigheden in april en Hemelvaartweekend) dan lezen we samen verder, doe tijdig teken als u de tekst niet zou hebben.
Tot dan,
Sam Landuyt.
donderdag, maart 23, 2006
Bijeenkomst werkgroep 24 februari 2006
Verslag van de vergadering
Tweede Deel Hoofdstuk II: De Liefde gelooft alles