dinsdag, februari 23, 2010

Verslag van de Bijeenkomsten 2009 - 2010

NB. Tijdens de vakantieperiode waren er geen bijeenkomsten (juli, augustus, september). De eerste vergaderingen waren in oktober en november 2009. Deze verslagen gingen ergens verloren zwerven in het archief. Van zodra we die opgespoord hebben zullen ze ingepast worden in deze weblog, d.i. ingepast voor het verslag van januari 2010. December was er geen bijeenkomst, wegens samenvallen met Kerst en nieuwjaar. We hernamen op 29 januari 2010. Met mijn excuses. S.L.

Hieronder volgt het verslag van de bijeenkomst van 29 januari 2010.



dinsdag, oktober 27, 2009

Werkgroep Kierkegaard Verslag van de Bijeenkomsten van 2009.

Bijeenkomst 25.6.2009

Aanwezig: Sam Landuyt, Jan Gysen, Levi Matuszczak, Noël Melis, Hedwig Van Damme , Fientje Van Otten, André Vermaut, Chris Vonck, Lydia Bonte.
Afwezig en verontschuldigd:, Rit Van den Bergh, Aad Van der Perk.


Aangename Verrassing: Het was een hele tijd geleden dat we onze broeders-in-Kierkegaard Jan Gysen en Levi Matuszczak nog ontmoet hadden. Het weerzien was des te hartelijker. Ze brachten een geschenkje mee voor ons: “In de ban van Søren Aabye Kierkgaard”. 7 korte artikeltjes van Levi en uitgegeven door Levi en Jan, vooraf verschenen in De Kruisbannier. Het zal binnenkort te lezen zijn op de weblog: http://werkgroepkierkegaard.blogspot.com/

Er is ook de nieuwe Acta Comparanda XX, van de Faculteit Vergelijkende Godsdienstwetenschappen
Volgend jaar wordt een extra editie van de Acta gewijd aan Kierkegaard, dit naar aanleiding van ons XX? jarig bestaan.

Lidgeld voor 2009 – 2010: De leden worden aangespoord om hun lidgeld te betalen voor het komende jaar: xx EURO te storten op rekeningnummer:XXXX.
NB. Wie “stoemelings” zoals ondergetekende vergeten was te betalen voor afgelopen jaar wordt vriendelijk verzocht dit vooralsnog te willen doen…

Vermeldenswaardig: Nieuwe vertaling van Het Begrip Angst
verschenen in de serie Søren Kierkegaard Werken: Het Begrip Angst(Vigilius Haufniensis), 224 pp., €26,90, gebonden uitgave, uitgeverij DAMON, 2009. . (info@damon.nl).
Vertaling J. Sperna Weiland. Eindrecactie en verklarende noten: Paul Cruysberghs en Johan Taels. Geheel herziene tekst en nawoord door Frits Florin.

Verslag van de Bijeenkomst
Stadia op de Levensweg , Schuldig, niet schuldig. We hebben nog een heel eind te gaan samen met Frater Taciturnus op de weg van de vertwijfeling over zijn relatie (?) met de geliefde. Wat hij s’ ochtends opschrijft gaat over het verleden (over ‘verleden jaar’ die zelfde dag), wat hij ’s nachts opschrijft is ‘het journaal van het lopende jaar’(p. 234). We vorderen traag, net zo traag als onze auteur in het reine komt met zichzelf. “Als een pelgrim, op de manier van twee stappen voorwaarts, een stap terug”. Hij heeft “het religieuze gekozen”, maar waarom is dan het religieuze in contradictie met zijn liefde en verliefdheid. Is het zij misschien, die niet kiest, niet kan kiezen voor het religieuze, omdat zij het gewoonweg niet kent (van binnen uit) en alleen de stichtende preken van de dominee heeft gehoord? Het blijft vooralsnog onbekend.
We vragen aan onze leden om vanaf nu terug even zelf een aantal bladzijden voorafgaandelijk te lezen, zodat we op de bijeenkomst een samenvatting van onze indrukken kunnen uitwisselen. Misschien lukt het ons dan om de pelgrimstocht sneller af te werken? Bvb. lezen we tegen volgende vergadering op 30 oktober te 16 uur: tot blz.251?
Even een nabeschouwing
Naar aanleiding van het boekje van Levi Matuszczak: wat intrigeert ons toch zo in Kierkegaard? Aangename, gemakkelijke literatuur is het niet. We verstaan hem soms nauwelijks. Ergens vermoeden we dat op Kierkegaard en zijn werken de woorden van toepassing zijn die Simon Petrus uitspreekt tegenover Jezus, als die aan de leerlingen vraagt ‘of zij ook soms willen weggaan’ (Op het moment dat er zo velen zijn die van Hem weggaan omdat het allemaal zo moeilijk is en de woorden van Jezus soms zo ergerlijk zijn). Simon Petrus gaf (toen) ten antwoord: ‘Naar wie zouden we moeten gaan, Heer? U spreekt woorden van eeuwig leven en wij geloven en weten dat U de Heilige van God bent’. (Joh. 6.67-69). Heeft ook K. “woorden van eeuwig leven” in zich en is het daarom dat hij ons ergert en blijft boeien tevens en tegelijk? Na vier maanden onderbreking loont het even de moeite om ons en u die vraag te stellen.

dinsdag, mei 26, 2009

Foto's

Het Begrip Angst Nieuwe Vertaling

Mededeling

Onderwerp: Nieuwe vertaling verschenen in serie Søren Kierkegaard

Zeer geachte leden van de redactie, met veel genoegen attenderen wij u op het zojuist verschenen
Kierkegaard, of zijn pseudoniem Vigilius Haufniensis (de 'wachter' van Kopenhagen), was de eerste die in de wijsgerige antropologie het onderscheid tussen vrees en angst nauwkeurig formuleerde en hanteerde: vrees betekent dat men bang is voor iets concreets, angst dat men bang is voor iets onbekends. Angst slaat op wat mogelijk is, maar er (nog) niet is. Daarom roept de confrontatie met de mogelijkheid van de vrijheid bij de mens angst op: angst voor de eigen mogelijkheden. Angst is een noodzakelijk stadium op weg naar de vrijheid, maar men kan daar ook in blijven hangen. Rond het centrale thema van de angst snijdt Vigilius Haufniensis een hele reeks thema's aan die in de latere geschriften van Kierkegaard uitgewerkt worden. Het begrip angst vormt het vierde deel in de serie Kierkegaard Werken. Het boek wordt uitgegeven in samenwerking met de 'Redactieraad Kierkegaard Werken' (www.kierkegaard.be) en de Søren Kierkegaard Skrifter (uitgegeven door het 'Søren Kierkegaard Research Centre' te Kopenhagen, www.sk.ku.dk). GegevensVertaling: J. Sperna WeilandEindredactie en verklarende noten: Paul Cruysberghs en Johan TaelsGeheel herziene tekst en nawoord door Frits FlorinIsbn 978 90 5573 911 0Omvang 224 pp.Prijs € 26,90Gebonden uitgave met stofomslag en leeslint, gesealed.Verkrijgbaar in de boekhandel of rechtstreeks bij Uitgeverij DAMON.

Werkgroep Kierkegaard Bijeenkomsten van 2009

Verslag van de Bijeenkomst van 27.03.2009

Aanwezig: Sam Landuyt, Noël Melis, , Hedwig Van Damme, Aad Van der Perk, Rit Van den Bergh, Fientje Van Otten, André Vermaut, Chris Vonck.
Afwezig en verontschuldigd: Jan Gysen, Levi Matuszczak, , Bavo Van Eesbroeck
.
We bekijken even het “Journal du Monde”(p. 182), een antikwartiaatuitgave, met daarin het overlijdensbericht van Soeren Kierkegaard (11 nov. 1855), naast dat van andere beroemdheden zoals Fréderic Chopin (1849),Nicolo Paganini ((1840), Henri Beyle, alias Stendhall (1842), François –Réné De Chateaubriand (1848), Edgar Allen Poe (1849) en Honoré De Balzac (1850).
We noteren ook dat er in Mexico-City op de Universidad Ibero-Americana een colloquium doorgaat over Kierkegaard op 21.04.09. Mevr. Eva Lodewijckx zal ons daar vertegenwoordigen.

Daarna vatten we de laatste bladzijden aan van dit gedeelte (de rechter) van Stadia op de Levensweg (189). K. Heeft het hier verder over de religieuze exceptie, gebaseerd op de religieuze abstractie die “zich volledig abstract verhoudt tot hetgeen ze verzaakt”en “het algemene wil ignoreren” en daardoor geen legitieme exceptie kan zijn. De religieuze exceptie overbiedt zich op die manier. Maar er is ook degene die onderbiedt in zwaarmoedigheid. De zwaarmoedige blijft steken in zijn volledige abstractie, met de “kleine falsificaties” er bij die nodig zijn, geheel aangewezen als hij is op de inbeelding van een huwelijk. Beide vormen van exceptie missen ervaring en zijn dus nep. Is K. hier bezig met zich te verantwoorden in zijn besluit niet te trouwen? In elk geval wil Kierkegaard enkel oneindigheid of eeuwigheid, niets vergankelijks, maar ook niets vervalst. Hij formuleert in zijn tekst uiteindelijk 6 voorwaarden voor een mogelijke geldige exceptie: 1. Men moet werkelijk verliefd zijn, de ervaring ervan hebben dus. 2. Men moet echtgenoot zijn. 3. Men moet ook nadien nog van het bestaan houden. 4. Men moet lijden aan de breuk, dit lijden wordt ervaren als een straf. 5. Men moet de breuk opvatten als een breuk aan wat het bestaan aan zekerheid en geborgenheid gaf in het huwelijk. 6. Men dient te begrijpen dat niemand hem – de exceptie – zal begrijpen en ook geen kalmte zal kunnen opbrengen in zijn onbegrip…
K. zegt niet met zekerheid te weten of er wel een legitieme exceptie bestaat, maar hij wil ze zo dicht mogelijk benaderen en beschrijven. Niemand kan uit zichzelf een exceptie worden. Er moet allereerst een gebeurtenis plaatsvinden. Het moet iemand zijn die in veilige verstandhouding met het bestaan is gegaan – een normale mens zouden we zeggen… - en dan plots tot staan wordt gebracht. Hij moet echt verliefd zijn. Het is de beminnende zelf die de verliefdheid – door een besluit – moet verbreken en: “wie met de werkelijkheid wil breken dient op zijn minst te weten wat het is waarmee men breekt” (192). Hij moet bovendien (al) een getrouwd man zijn. Door het huwelijk te verbreken “ brengt hij het hele bestaan in tegenspraak met zichzelf, hij brengt God in tegenspraak met zichzelf” (193). Want het huwelijk is, in tegenstelling misschien nog met de verliefdheid zelf, “ongetwijfeld onvoorwaardelijk van religieuze afkomst”. De R-Katholiek zou zeggen: het huwelijk is een sacrament. Na de breuk moet die persoon nog steeds het bestaan liefhebben! Inclusief de geliefde, die er niet minder schoon op geworden is door de breuk en inclusief het huwelijk dat niet minder waardevol geworden is. Daardoor kan de breuk niet anders dan een lijdensmoment inhouden. En de geestdrift der vertwijfeling moet er nog haar vreugde in vinden God eer te betuigen en te aanvaarden “dat de weg der Voorzienigheid louter wijsheid en rechtvaardigheid is” (194). En bovendien heeft hij de geborgenheid verlaten en boven hem hangt het zwaard van Damocles en onder hem “de strik der verlokkingen”. “De zinnelijkheid is hem tot een slang geworden”. En hij beleeft het geheel van zijn daden als een straf “als hij de beelden oproept van de ellende waarin zijn dierbaren door zijn toedoend zijn gestort”(195).En niemand zal hem begrijpen of goedkeuren. K. maakt het zich wel heel moeilijk… Hij herhaalt tenslotte op p. 196 nog eens de essentiële punten. De rechter besluit dan ondanks al het gruwelijke negativisme van de gewettigde exceptie toch op een voor zichzelf positief adagium: “wat ik zeker weet, wat niemand mij kan ontrukken is mijn echtelijk geluk, of juister: mijn overtuigd zijn van het echtelijk geluk.” (198).
Volgende keer vatten we een nieuw onderdeel aan.
Volgende bijeenkomst op 24 april te 16u.
Next meeting: April 24th, 16h p.m. We start with the reading of a new part of the book.

Werkgroep Kierkegaard Bijeenkomsten van 2009

Werkgroep Kierkegaard - Verslag van de Bijeenkomst van 23.02.09

Aanwezig: Sam Landuyt, Noël Melis, , Hedwig Van Damme, Rit Van den Bergh, Fientje Van Otten, André Vermaut, Chris Vonck.
Afwezig en verontschuldigd: Jan Gysen, Levi Matuszczak, Aad Van der Perk, Bavo Van Eesbroeck.


Werken:
Filosofie, 2-maandelijks tijdschrift van de stichting informatie filosofie jg. 19, nr. 1, febr./mar 2009. Nummer gewijd aan Kierkegaard.

We lezen vanaf p 181. K. beschrijft een “beeld” van Romeo en Julia als liefdespaar , “een verwijlen in de schone situatie der verliefdheid … en wel zo dat het wezenlijke van een liefdesrelatie tot uitdrukking wordt gebracht” (P. 181). Het is wellicht een soort zelfverdediging. Immers, zoals alle ‘grote liefdes’ eindigt deze ook ongelukkig. “Het is een liefdespaar, “maar een echtpaar is het niet”. Daartoe heeft het te veel van het onvoltooide, wankelende, het is het evenwicht van het besluit, de hogere onmiddellijkheid van het religieuze” (183). En dan volgt een kernachtige samenvatting van deze uitgebeelde toestand: “de verliefdheid zegt: voor eeuwig de uwe; de huwelijksvoltrekking zegt: gij zult alles verlaten om haar toe te behoren; de bedenking zegt: houd haar maar” (181). Even verder zegt K.: “ik ken een hoger leven” (dan de huwelijkse staat), maar “wee hem die zonder het recht daartoe te hebben het huwelijk wil passeren” (183). Wij vergelijken dit uitgebeelde wankele evenwicht even met een andere ‘dichterlijke’ uitbeelding van een vorm van liefde/verliefdheid: de middeleeuwse, ridderlijke, ‘hoofse’ liefde. De hoofse liefde is echter geen liefde, maar erotisch verlangen, omgezet in verering. De toestand van een ‘echte aanbidder’ dus… We denken ook even samen met K. aan de “verwerping van het vlees” in de kerk van de Middeleeuwen en de (latere) benoeming van “vergoddelijking van het vlees” als een vorm van geestelijke hoogmoed, hier in de gedaante van intellectualiteit. Kierkegaard gaat dan verder met een uitgebreide tirade tegen deze intellectualiteit en de excentriciteit die ze meebrengt (184 – 185). “De zuivere intellectualiteit is… een enorme abstractie en aan gene zijde van de abstractie wordt niets waargenomen, niets, zelfs niet de verste aanduiding van een religieuze idee” (185). In het daarop volgende overzicht van eventuele gegronde (steeds toch filosofische) tegenwerpingen tegen het huwelijk gaan dan een aantal bladzijden over dergelijke, door de rede opgebouwde “uitvluchten” die voor ons moeilijke bladzijden waren, niet altijd zo logisch of helder opgebouwd. Tenslotte komt hij tot de bespreking van de religieuze exceptie: degene die voor K. , als ze bestaat, de enige exceptie is die kan aanvaard worden.
Volgende bijeenkomst op 27 maart te 16 uur.
Next meeting: Mars 27th, 16 p.m. You are welcome!

Vergeten we niet ons lidgeld/abonnementsgeld Acta Comparanda te betalen voor 2008 – 2009? 15 EURO. Rekeningnummer:
Please, don’t forget your subscription for 2008 – 2009: Working Group and Acta Comparanda 2009. €15. , Bank account:

woensdag, mei 20, 2009

Kierkegaard: Dagboeken en Aantekeningen - Een Recensie

Deutsche Søren Kierkegaard Edition
Band 2
Journale und Aufzeichnungnen
Journale EE – KK
onder redactie van Richard Purkarthofer en Heiko Schulz

met vertalingen van Sabrina Broocks, Hermann Deuser, Krista-Maria Deuser, Markus Kleinert, Richard Purkharthofer, Jens Eike Schnall en Heiko Schulz
W. de Gruyter, 2008; 777 blz.


Deze nieuwe Duitse vertaling (in totaal 55 delen) gebeurt in samenwerking met het Søren kierkegaard Forskningscenter in Kopenhagen en bevat het volledige oeuvre van de auteur, voorzien van toelichtingen, verwijzingen en vertalingen van o.a. Latijnse passages.

De inhoud van deel 2:
Journaals EE (1839, 1840-1841)
FF (1836, 1837, 1838)
GG (1838-1839)
HH (1840-1841)
JJ (1842,1842-1843,1843,1844,1844-1845,1845,1845-1846,1846,1842)
KK (1838,1839-1840,1838)
De bundeling van de teksten is van S.K. zelf; hij verkoos ‘journaal’ boven ‘dagboek’, dat eerder een literair genre is, terwijl met ‘journaal’ een weergave van gebeurtenissen in ruime zin bedoeld wordt.

“ Wie eine einsame Tanne,
egoistisch abgeschlossen und auf Höheres gerichtet, stehe ich, werfe keinen Schatten, und nur die Waldtaube baut ihr Nest in meinen Ästen“ (p. 88).

In de periode 1836 – 1846 vallen o.m. Kierkegaards studietijd in Kopenhagen, de onderbreking en herneming ervan, zijn theologisch ambtsexamen en de verdediging van zijn proefschrift “ Over het begrip ironie, vooral met betrekking tot Socrates” aan de filosofische faculteit ; verder ook de korte verloving met Regine Olsen en het vertrek naar Berlijn; tenslotte de publicatie van o.m.“Of-Of” (Enten- Eller) en “Stadia op de levensweg” ( Stadier på livets vej).

Wat de inhoud betreft, krijgen we allerlei bedenkingen i.v.m. zijn studie: zo weerlegt hij het systeem van Hegel en vindt overigens meer wijsheid bij de Griekse filosofen dan bij zijn tijdgenoten.
Op persoonlijk vlak zijn er enkele verwijzingen naar een diepe bewogenheid als Regine ter sprake komt, maar hier toont hij zich uiterst gereserveerd.
Daartegenover staat een veel meer uitgewerkte visie in zijn religieuze overdenkingen,
met thema’s als de menswording, vergeving, geloofsbeleving, gebed of lijden.
Hij verdiept zich in de kerkgeschiedenis en in andere godsdiensten en stelt kritische vragen bij het werk van anderen, zo bij Spinoza’s “Ethica” of bij de lectuur van Strauss, die de mythische opvatting van de bijbel aantoont in “Das Leben Jesu”.
Samengevat kunnen we stellen dat geloof en evangelie niet getoetst kunnen worden aan rationalisme en filosofie. Geloof is een aparte categorie die boven filosofische en wetenschappelijke en criteria staat
Ook de moderen mens ontsnapt niet aan kritiek:
-Tegenwoordig schrijft en leest men enkel nog prullen zoals vlugschriften en pamfletten; niemand waagt zich nog aan een doorwrocht werk en dit geldt zowel voor auteurs als voor lezers ( p. 291-292).
Interessant zijn de bedenkingen met betrekking tot zijn publicaties uit die periode; hij streeft naar eigen zeggen geen roem na; integendeel, succes bij het publiek, zowel voor een schrijver als voor een predikant, is een veeg teken.

Doorgaans maakt Kierkegaard het zijn lezers niet gemakkelijk. Uitzonderingen zijn de korte invallen, kanttekeningen bij theater en literatuur, soms ook een idee voor een verhaal .

Besluit: deze nieuwe Duitse uitgave is uitstekend vertaald en geannoteerd; als illustratie zijn er ankele foto’s van manuscripten uit de journaals, kaarten met de plattegrond van Kopenhagen en van Berlijn plus de jaarkalenders van 1836 t.m. 1846.
Een waardevolle bijdrage tot de Kierkegaardstudie.

Hedwig van Damme

zondag, februari 22, 2009

Werkgroep Kierkegaard Bijeenkomsten van 2009

Verslag van de Bijeenkomst van 30.01.2009

Aanwezig: Sam Landuyt, Noël Melis, Bavo Van Eesbroeck, Hedwig Van Damme, Fientje Van Otten, André Vermaut, Chris Vonck
Afwezig en verontschuldigd: Jan Gysen, Levi Matuszczak, Rit Van den Bergh, , Aad Van der Perk.


Werken:
- Deutsche Søren Kierkegaard Edition, Band 2. Journale und Aufzeignungen EE – KK. Herausgegeben von Richard Purkarthofer und Heiko Schulz. Walter de Gruyter - Berlin – New York
- Søren Kirekegaard-arbejdsgruppe på Faculteit Vergelijkende Godsdienstwetenschappen in Kirkebladet Den danske kirke i Bruxelles. 32 j. nr 1 årgang nr 1. Korte voorstelling van de werkgroep in dit kerkblad van de Deense Zeemanskerk te Antwerpen.
- www. users.skynet.be/streven/verstrijnge/Kierkegaard.htm

De Bijeenkomst:

Het wonder van de verliefdheid (miracle of love a miracle of faith...) wordt het wonder van het geloof (p.177). Door het “reinigingsbad van het besluit”, zoals we al gezegd hebben. Vraag is hier wel: en hoe gaat het dan in het besluit en huwelijk van de niet-gelovige? Men kan stellen dat dezelfde ernst van de wezenlijkheid, van het geloof, het vertrouwen en de liefde die K. hier religieus beschrijft en in relatie tot God stelt, daar beschreven en beleefd zal worden in de relatie tot de andere, de partner. Aan de huwelijken te zien, gaat dat ook goed.
K. gaat, even maar, ook in op “het berouw” bij het besluit van iemand die “er niet mag op vertrouwen een gewoon mens te zijn”. Is dit wellicht een allusie op zijn speciaal geval? Hoopt hij hierbij dat Regina, zijn ex-verloofde het ooit zal lezen en begrijpen, hem begrijpen?
Maar daar zijn we al bij de huwelijksvoltrekking. De nog altijd even mooie jongeling, met het besluit als bruidschat onder de arm, gaat “in ernst en waarheid” (p. 179) naar het altaar, zijn toekomstige vrouw tegemoet. Maar à propos, hoe zit het nu eigenlijk met die vrouw? Er volgen enkele merkwaardige bladzijden over het onmiskenbare onderscheid - volgens K. en zoveel anderen dan toch - in de psychologie tussen man en vrouw. “Een vrouwenziel kent niet die reflectie zoals de man die kent en die behoort ze ook niet te kennen” “Snel als een vogel komt ze van de esthetische onmiddellijkheid tot de religieuze”. De man moet de tussenstap maken van de ethische ontwikkeling. Genen? Kultuur? Mannelijk vooroordeel van de patriarchale maatschappij? Voordeel of juist niet? “De hoogste vorm van verstand die een vrouw kan hebben is een religieuze onmiddellijkheid”. Omdat de vrouw in haar onmiddellijkheid essentieel esthetisch is, is ook de overgang naar het religieuze rechtstreeks. Anders is ze enkel “sensuele begeestering”. Als de vrouw nog maar begint aan de reflectie, “valt ze al in zwijm”. Allo! Kan het Vaticaan daarmee weg? Of is dit toch wel een nadere kijk waard? Wat is dat ethische precies, waar de man zo sterk in zou zijn? Misschien toch een hinderlijke tussenstap, niet veel zaaks en veel te omslachtig om er de werkelijkheid mee te leren omarmen? Misschien. Of verkijkt K. zich zoals velen op die eeuwige “emotionaliteit” waarin de vrouw zo sterk zou zijn en die de biologische drager is, inderdaad, van de esthetica? En is de mannelijke geschiktheid voor tools en operationeel denken gelegen in een ander hersendeel dat geactiveerd is geraakt, door de eeuwen heen van jagers en vissers en krijgers. Terwijl moeder de pap maakte? En vergeet niet – een persoonlijk toemaatje hier – “de herinnering aan de reuk van mijn moeder en haar keuken is een sterkere ondersteuning van mijn zelfvertrouwen dan elk filosofisch argument” . Zelf gevonden.
Omdat we vonden dat we, zoals K. zelf hier, te lang zijn blijven hangen, zal Noël Melis ons volgende maal een samenvatting maken van een groter aantal bladzijden. Zo geraken we misschien nog bij de kinderen van de rechter. Of zijn die er niet? Als de rijpe vruchten van al zijn filosofische overwegingen?

Volgende bijeenkomst: 27.02.2009 te 16 uur.

Next Gathering February the 27th, 2009.

S. Landuyt

Werkgroep Kierkegaard Bijeenkomsten van 2008

Verslag van de Bijeenkomst 18.12.2008

Aanwezig: Sam Landuyt, Noël Melis, Bavo Van Eesbroeck, Rit Van den Bergh, Aad Van der Perk, Fientje Van Otten, André Vermaut, Chris Vonck
Afwezig en verontschuldigd: Jan Gysen, Levi Matuszczak, Hedwig Van Damme, Aad Van den Berg.


We gaan verder met de lezing van Stadia op de Levensweg / Stadier paa Livets Vei, pag. 170 e.v. Het beslissende punt: er moet een besluit toegevoegd worden aan de verliefdheid. Eindelijk! zouden we zeggen. Maar K. zou K. niet zijn als het direct gedaan was. Neen, o filosofen aller landen: een besluit veronderstelt reflexie en… reflexie is de moordende engel van de onmiddellijkheid. En van de daadkracht, zijn we geneigd er aan toe te voegen. Maar geduld! Er is één onmiddellijkheid die door de reflexie ontzien wordt en dit is precies de verliefdheid. Daarmee onttrekt K. het besluit in de verliefdheid los van de onmiddellijkheid. Maar vervolgens werpt K. zo een beetje alles door elkaar. K. schept een ideaalbeeld dat hij zelf (in zijn leven) ontrouw is. Spraakverwarring en moeilijkheid om de ideeën te volgen… Gevolg van het worstelen van K. zelf met verliefdheid, liefde, besluit tot huwen? Rekenen in de liefde, zelfs met oneindige grootheden, is toch nog rekenen. “Het enige, kernachtige antwoord op alles wat de verliefdheid aangaat is: ik houd van haar”(p. 171). Because? Because!. Waarom? Daarom! En is dit trouwens ook niet zo voor de gevestigde, met een jawoord bestempelde en in het leven verankerde en geteste liefde zelf? “It’s my wife!”. Dus geen bewondering of beredenering van de bewondering in de verliefdheid of als argument tot het besluit. Alleen bewondering voor “haar wezen” is geen krenking van de onvoorwaardelijkheid van de verliefdheid en haar besluit. Wat pas in het volle huwelijksleven tot zijn volle recht zal komen. Hoe moet dan de reflectie zich bewegen? Op de relatie waarin de verliefdheid tot de werkelijkheid staat. Trouwen betekent een buitengewone concretisering daarvan. Het nemen van dit soort besluit is dan het ware begin van de vrijheid. De lust (in de verliefdheid) “doet dan alle arbeid vlotten”. Gelukkig maar! Zo ontstaat “door de zuiver ideëel uitgeputte reflectie heen een gewonnen een nieuwe onmiddellijkheid”(p. 175) die precies beantwoordt aan de onmiddellijkheid van de verliefdheid en die een religieuze fundering heeft. Het besluit vormt, in de onmiddellijkheid van de ernst van deze nieuwe onmiddellijkheid, een religieuze onmiddellijkheid, een religieus uitgangspunt, een nieuw begin dus. In wezenlijkheid, ontsnappend aan de reflectie als zodanig. De verliefde buigt voor de imperatief van de plicht om zich vervolgens op te richten in de optatief van het besluit. Het reinigingsbad van het besluit, voor de ogen van God, in relatie geplaatst tot God. Oef! Ja. OK. Maar liever niet op mijn eigenste trouwdag om dit allemaal te moeten horen en overwegen.

Nog even dit: “de lust doet alle arbeid vlotten” (p. 174). Het staat er zo maar tussendoor. Waarbij we toch even kunnen overwegen wat er zoal gebeurt als de lust, om welke reden dan ook, ontkoppeld wordt of geraakt van deze ‘arbeid’ en een eigen leven gaat leiden, een autonome dynamiek, zonder het einddoel van het of-of besluit nog te willen ondergaan…
Volgende bijeenkomst op 30.01.2009 te 16 uur, zoals gewoonlijk.

Next gathering on the 30th of January.

S. Landuyt

zondag, november 30, 2008

Werkgroep Kierkegaard Bijeenkomsten 2008

Verslag Bijeenkomst van 31.10.2008

Aanwezig: Karel Eisses, Noël Melis, Sam Landuyt, Hedwig Van Damme, Rit Van den Bergh, Aad Van der Perk, Fientje Van Otten, André Vermaut, Chris Vonck

Afwezig/ verontschuldigd: Jan Gysen, Levi Matuszczak

We bezoeken vooraf even de interessante tentoonstelling die doorgaat op de Faculteit: De Drakenbrug naar de Hemel; Yao ceremoniële schilderijen en voorwerpen.

We begroeten Dr.Karel Th. Eisses, auteur van een met monnikengeduld samengesteld repertorium, een onmisbaar boekdeel voor elke Kierkegaardkenner: 160 jaar (in de voet) sporen van Soren Kierkegaard. Kierkegaard in het Nederlandse taalgebied. Keiproducties Utrecht, Boomker Haren BV. Geheel herzien 2007. ISBN 978-90-71809-73-6. Trefwoorden: bibliografie, Kierkegaard, Nederlandstalig, filosofie, theologie.

Een ander boek over Kierkegaard wordt vermeld: Frits Florkin: Geloven als Noodweer. Het begrip “Het religieuze” bij S. Kierkegaard. 2002.

We hervatten onze lezing op blz. 159, waar we Kierkegaard in juni ll. verlaten hebben. “Ik keer terug tot de verliefdheid”. Verliefdheid en het besluit te huwen zullen samen de voortdurende werkelijkheid vormen die het hele huwelijk blijvend zal doordringen. De verliefdheid treft dan het besluit aan “als een verlate onmiddellijkheid… van ‘weerlichten’ op het tijdstip dat de wil genoeg ontwikkeld kan zijn om een besluit te nemen”..Wie echter de verliefdheid wil ‘maken’ of op jacht gaat er naar, mist ze keer op keer. De echte verleider neemt het verkeerde, demonische besluit (K noemt dat een “ethisch slecht” besluit – een beetje een eigenaardige definitie, vinden sommigen van ons) van niet te willen besluiten tot huwen, maar het genot zo kort en hoopt hij, zo intens mogelijk te maken. De twijfelaar echter is te goed om demonisch te besluiten en niet goed genoeg om het goede besluit te nemen, eigenlijk niet goed genoeg om echtgenoot te worden. Dit zijn deviaties van de verliefdheid. Een groot geniaal voorbeeld ervan beschrijft K. dan in de persoon van Goethe en zijn werk “Aus meinen Leben”, tenminste toch Goethe “zoals hij zichzelf heeft uitgebeeld “in Dichting und Wahrheit”. Het gaat om de uitvluchten zoeken en vinden i.p.v. het goede besluit nemen. Iemand zegt langs zijn neus weg dat onze K. wat jaloers blijkt te zijn geweest op Goethe. Wordt genoteerd, maar maakt de redenering nog niet stuk. En dan begint K. een van zijn onverbeterlijk ironische beschrijvingen van het poëtische bestaan (in de verdichte persoon van Goethe, die hij inderdaad niet kan rieken of zien). Flauwiteiten! Vaudeville! Hoffelijk en in der minne afscheid nemen der geliefden! Het kan niet op. Nauwelijks een paradigma, vindt K., dat toch nog iets van de ernst van het paradigma aanneemt omdat het zoveel mensen “overkomt”. Wat de dramatiek van de romantiek dan is. Of de soap van het leven zoals het is, zouden wij misschien zeggen. Genoteerd moet toch worden dat de periode van de Romantiek, waarvan Goethe een lichtend voorbeeld was, toch de kentering gebracht heeft naar de notie van de persoonlijke individuele, unieke keuze van de geliefde en de huwelijkspartner en sindsdien in het collectieve bewustzijn van de westerse, Europese en Angelsaksische blanke mens verankerd is. Dit is dus meer dan uitvluchten. Volgende keer: blz. 164 en volgende.

SL

Next meeting: Friday november 28th – 16:00 – 18:00. Welcome!

Verslag bijeenkomst Werkgroep Kierkegaard van 30.05.2008

Aanwezig: Sam Landuyt, Fientje Van Otten, Hedwig Van Damme, Rit Van den Bergh, Aad Van der Perk Chris Vonck,
Afwezig/ verontschuldigd: Jan Gysen, Levi Matuszczak, Noël Melis, André Vermaut

Was het luiheid of inspiratie die ons overviel, ik weet het niet, maar we kwamen er niet toe om deze keer ook maar één letter te lezen uit Stadia op de Levensweg. We hadden ondertussen wel een uiterst boeiend en levendig gesprek over alles en nog wat, wel te verstaan zo filosofisch en religieus mogelijk…Waarover hadden wij het?
- We toonden elkaar een paar illustraties: een gedicht van Vader Cats en een cartoon over de “mission impossible” van vele echtelieden vanaf een zekere leeftijd. Ze zullen op de website verschijnen. Even geduld.
- Over K.’s gebrekkige kennis en ervaring van ‘het echte huwelijk’ en hoe hij dus altijd wat “idealitair” zal blijven in deze materie en over zijn grote kwaliteiten als literator en niet alleen als filosoof. Vergelijk hoe hij het hof en het prieeltje beschrijft van de rechter en zijn gade. En hoe de zatte bende er mee omgaat. Zelfs een van hen een manuscript jat van de oude heer.
- Over het feit dat wanneer dichterlijk over de partner gezongen of gesproken wordt, zij /hij geen naam draagt, enkel ‘idee’ is en dus inderdaad nog ‘idealitair’ beleefd wordt. Er is nog geen ontmoeting in het esthetische, alleen een onvervuld en onvervulbaar verlangen dat de dynamiek verleent aan de idealiteit en aan alles waarvoor ‘de vrouw’ of ‘het meisje’ zoal moet staan.
- Over de positie van de vrouw in de eeuw van K. (-XIXde) in het nog typische “patriarchaal” georganiseerde huwelijk en maatschappij, met mannelijke dominantie. Maar dat de vrouw meer praktische macht had en de man meer praktische verantwoordelijkheid droeg dan een oppervlakkige kennismaking zou doen vermoeden.
- Over wat het ethische stadium bij K. wel kan zijn. Dat dit niet zo afgetekend is als wel gedacht wordt. Hoe de (ethische) ideeën van Plato, via Kant (onbeweeglijke categorische Imperatieven)) over Hegel (dynamisch geworden, tijdsdimensie aan toegevoegd) Kierkegaard bereiken en hij er geen genoegen mee neemt, evenmin als met het esthetische benaderen van de werkelijkheid. En zo in het “mateloze”, het “grenzeloze” van de religieuze beleving terechtkomt dat alle denken overschrijdt en uitdaagt. Mateloos en grenzeloos in de zin van “niet meer meetbaar of optelbaar”, niet in de zin van het psychogenetische stadium van nog mateloos en onbegrensd dat de baby kent vooraleer aan hem grenzen gesteld werden. Het religieus mateloze (vergelijk dogma) wordt pas bereikt nadat men eerst de psychologische begrenzingen van de aardse omgang aanvaard heeft en alle stadia van ontwikkeling op de levensweg doorlopen heeft.
- En van daar gingen we in op “het kind in ons”, zijn verborgen noden, behoeften en trauma’s vanuit de eerste levensjaren (ouderschapfiguur in ons) die het verdere leven als volwassene bepalen. En hoe we door het kind een Naam te geven, in psychotherapie bvb, dit kind kunnen leren spreken en aanhoren. En het blij maken.
- En hoe Gods Naam niet zozeer mateloos en grenzeloos is, maar onnoembaar. En hoe het willen ‘benoemen’ van God, d.w.z. hem willen ‘bepalen’ eigenlijk blasfemie is.
- En zo kwam van het een het ander.

Verslag Bijeenkomst van 25.04.2008

Aanwezig: Sam Landuyt Noël Melis, Fientje Van Otten, Hedwig Van Damme, Rit Van den Bergh, Aad Van der Perk
Afwezig/ verontschuldigd:, , Jan Gysen, Levi Matuszczak, André Vermaut

We vervolgen onze lezing van Stadia op de Levensweg vanaf pag. 135 tot 147.
De rechter vraagt zich af “hoe zijn vrouw er, na acht jaar huwelijk, er esthetisch beoordeeld, uitziet. Komt dat van altijd ethisch en rechter geweest te zijn? Of is het omdat hij niet naar zijn echtgenote heeft durven kijken “op esthetische wijze”, zoals naar een portret, een beeld? (Misschien was ze wel een ‘goede partij’ voor een rechter, maar niet zo een mooie vrouw? Ook dat dienen we te overwegen…). In alle geval, al is hij blijkbaar geen hofmaker geweest een knorrige criticus als echtgenoot is hij ook niet geworden (een huwelijk met een grondtoon van“muzac in my ears” –Beatles?). Hij is nooit een esthetische “connaisseur” geweest blijkbaar. Hij weet zelfs tot vandaag niet of zijn vrouw slank is. Ze zal misschien van de soort zijn geweest, “welopgevoed en rein, waarmee je dus geen donder kunt beginnen” (Boudewijn De Groot, Erfenis van mijn jeugd).Hij hanteert liever de (levens- en huwelijks)humor dan de kritische, esthetische blik op zijn vrouw. Humor vereist wel reflectie en afstandelijkheid. Is hij wat bang van de ernst van de verliefdheid? Bang van haar “dierlijke ernst”, want inderdaad animaal van oorsprong? Loert de impotentie om de hoek, als hij het al te esthetisch zou maken?. Maar zegt hij, “ze zijn gelukkig getrouwd en hebben dus geen uitgebreide kritische evaluatie van hun huwelijk nodig”. Inderdaad, daar kunnen wij hem bijtreden.
Kierkegaard maakt dan een bemerking die mag tellen. “Het heeft hem altijd verwonderd dat dichters een echtpaar in gesprek nooit op de juiste wijze weten uit te beelden”.Ofwel praten ze als twee verliefden of ze zijn hoogstens bijfiguren en op leeftijd. Een huwelijk moet minstens ongelukkig zijn om voor poëtische uitbeelding in aanmerking te komen. Om poëtisch te zijn (d.i. om voor artistieke uitbeelding in aanmerking te komen) moet een liefdesrelatie (een “verliefdheidsrelatie”?) op zijn minst gelukkig zijn en bedreigd worden van buitenaf en een huwelijk op zijn minst ongelukkig en van binnen uit bedreigd. Maar voor de rechter van K. “moet het een armetierige echtgenoot zijn die door zijn huwelijk geen humorist wordt”. Vraag: en kan de vrouw daar dan ook mee lachen? Hoe zit het trouwens met de emoties, gevoelens en opinies, esthetische, ethische en existentiële, van de (gehuwde) vrouw bij K.? Is dat alleen de achttiende eeuw die maakt dat hij zulke exclusief mannelijke kijk heeft?
Het humoristische wordt gedragen door de zekerheid van het huwelijk, gebaseerd op ervaring (ook op gewoontevorming?) p.140 en op geloof (in haar). Hij heeft “de boekhouding in zijn hoofd”, m.a.w. ze kunnen beiden op elkaar rekenen. Haar schoonheid is dus van een andere orde, geruststellend en niet opwindend. De zalige zekerheid dat morgen alles zal blijken te zijn zoals het gisteren was. Maar kom, laten we wel wezen: wat is daar zo verkeerd aan? “Deze vreugde van de echtgenoot wordt niet verteerd” (p.147), hij dient niet te leven van het brood alleen, maar van de welwillende verwondering waarmee hij de bezigheden van de moeder begeleidt, moederschap dat hij haar volledig en volmondig gunt zonder afgunst of jaloersheid. Het zijn “panis et circenses”voor hem, bescheiden maar zeer echt en betrouwbaar, zoals alle ethische daden kunnen zijn als ze volgehouden gesteld worden doorheen het leven.

S.Landuyt
Volgende bijeenkomst: vrijdag 30 mei 2008 te 16 uur.

Verslag Bijeenkomst van 28.03.2008

Aanwezig: Sam Landuyt Noël Melis, Fientje Van Otten, Chris Vonck
Afwezig/ verontschuldigd: Hedwig Van Damme, Rit Van den Bergh, Aad Van der Perk, Jan Gysen, Levi Matuszczak, André Vermaut

We gaan verder met de lezing van Stadia op de Levensweg. We beslissen om de tekst voortaan tijdens de bijeenkomsten integraal voor te lezen en er onze commentaar te geven. We gaan verder met pag. 116 e.v. K. heeft het daar over het besluit, positief om te huwen of negatief om juist niet te huwen. De redeneringen over het negatieve besluit (p. 117) zijn een stuk falsificatietheorie avant la lettre (Popper). Maar allebei, positief en negatief besluit moeten een echt besluit zijn (een echt ja-woord dus) of het is “loos gebral”. Menselijke existentie vraagt altijd om een besluit. Maar dan een echt en geen naäperij. (Hoe weet je dat van je zelf en je partner, op het cruciale moment??) Het positieve besluit consolideert het bestaan, het negatieve houdt het “in suspenso”en blijft altijd dubbelzinnig. K. Gaat dan verder – hij is filosoof voor iets - met een ragfijne dissectie van wat er allemaal in deze twee soorten besluitvorming bevat is. En hij stelt dat juist het huwelijk – het positieve besluit - de synthese is van verliefdheid en besluit. Verliefdheid behoort als dusdanig voor hem nog tot het “esthetische”. Door het besluit wordt het echter een ethische zaak. Niet het resultaat echter (“een drogbeeld” zegt K.) is belangrijk maar de positie in het besluit tegenover de eeuwigheid, wezenlijkheid, God: al een verwijzing van uit het ethische naar het religieuze / exisstentiële. Het deciderende is het ethische, is de vrijheid. Het “moeten”, de plicht (gebod van de Liefde; zie Daden van Liefde) hoort bij het ethische. Het negatieve besluit heeft enkel betrekking op het eeuwige, het positieve op het tijdelijke en het eeuwige. Het is rijker. Het is een besluit- idealiteit die gesigneerd is (in het eeuwige) en gecontrasigneerd is (in het tijdelijke). En bovendien moet het even sympathetisch zijn als autopathisch. De dauw moet de bloem bereiken en te verkwikken en niet zo maar verdampen. Het besluit moet zijn doel (gelegen in de realisatie van het huwelijk in het leven) bereiken. Een expressie die niet uitmondt in haar doel blijft immers puur esthetisch. En zo komt K. uiteindelijk tot drie spanningsvelden in het besluit van te huwen: tussen tijdelijke en eeuwige, tussen het concrete en abstracte, tussen de vrijheid en het lot (p. 123 - 125).Op pag. 127 komt hij er dan toe, op bedekt ironische wijze gezegd in de taal van de rechter, allerlei eigenschappen van het (ethische) huwelijk op te sommen die hij in feite misprijst. Het is heilig en burgerlijk, het is poëtisch, plechtig, het is er altijd kerkdienst, het is grappig in wat het niet inlost van alles wat de verliefdheid aan beloftes inhield. Het is alledaags enz. Volgen dan nog een hele reeks “bedenkingen” (p. 128 - 135) die niet zoveel meer aanbrengen dan er al gezegd werd.

Verslag Bijeenkomst 26.01.2008

Aanwezig: Sam Landuyt, Noël Melis, Hedwig Van Damme, Rit Van den Bergh, Aad Van der Perk, Fientje Van Otten, Chris Vonck
Afwezig en verontschuldigd: Jan Gysen, Levi Matuszczak, Bavo Van Eesbroeck, André Vermaut,

We beëindigen de lezing van het eerste deel van Stadia op de Levensweg (het Gastmaal), met een terugblik op het voorwoord door de vertaler Scholtens.

Het gedeelte dat het gastmaal besluit is het verhaal van de ontmoeting in de prille ochtend door de ondertussen goed dronken bende met de aanblik (meer is het niet dat ze ‘ontmoeten’) het tafereel van de rechter en zijn vrouw in hun prieeltje. Symbool van het harmonieuze huwelijksgeluk? De rechter opent hen het perspectief naar het ethische stadium voor deze aan zichzelf en de wijn dronken geraakte jongemannen, stuk voor stuk de uitbeelding van een (esthetische) subpersoonlijkheid van K. Na deze menigvuldige en theatrale mislukking van het esthetische, in al zijn poehah gebracht door deze gefrustreerde ijdeltuiten, ontnuchteren ze zowaar wat bij het bespieden van de al vroeg ontwaakte rechter en zijn (liefdevol - onderdanige?) echtgenote. Het gesprek dat ze afluisteren toont al onmiddellijk een heel ander beeld van het huwelijk - de ethische ernst van de verliefdheid die liefde geworden is - dan wat ze zelf in hun onvruchtbare grootspraak aan mekaar voorgehouden hebben.

Met de rechter en zijn vrouw doet het ethische stadium van de filosofie zijn intrede. Zie ook de conflictstof ervan in Of / OF van K.

Waarom al die types geschetst werden?
De estheet kent de ironie en het niet – kiezen als levensmotto (behalve de egotripperij en het achterna lopen van het genieten in al zijn onmiddellijkheid en vluchtigheid tevens, vandaar de ironie en de zelfspot, als het al zover komt. De estheet is een draaitol en komt in de verveling terecht van de eeuwige herhaling en dat leidt dan tot vertwijfeling. De kort durende maar frequente herhalingen komen voort uit het ontstaan van obsessioneel gedrag (Wiederholungszwang – Freud) dat zelf het gevolg is van de mislukking door het niet – kiezen. Wat eigenlijk betekent niet meer verder willen gaan op de stadia van de levensweg.

De ethicus of het ethische stadium zal de wereld - zijn wereld - willen harmoniseren. Dit is zijn optie, zo niet zijn keuze. Bij K. is het ethische meteen ook een protest tegen de burger en de burgerij van zijn omgeving, tegen de schijnbaarheid van de ethische keuze en tegen de afwezigheid van de echte religiositeit die uit de uiteindelijke onvoldaanheid van de ethische keuze groeit, als ultieme opdracht en levensbeweging.

We vervolgen de lezing van Stadia op de Levensweg op de volgende bijeenkomst op vrijdag 29 februari a.s. te 16 uur.

S. Landuyt

dinsdag, januari 22, 2008

Bijeenkomst van 21.12.2007

verslag van de bijeenkomst van 21.12.2007

Aanwezig: Sam Landuyt, Noël Melis, Fientje Van Otten, Chris Vonck
Afwezig en verontschuldigd: Jan Gysen, Levi Matuszczak, Hedwig Van Damme, Rit Vandenbergh, Aad Van der Perk, Bavo Van Eesbeeck, André Vermaut.

We bespreken “Le couturier” blz. 72 – 79 van S. Kierkegaard’s In Vino Veritas. Nergens wordt het primaire narcisme van de vrouw zo cynisch en schaamteloos misbruikt en te gelde gemaakt als in de modewereld. Nergens lopen ook zoveel mannelijke narcisten rond als in die wereld. De modeontwerper, de modeverkoper mag de vrouw héél dicht benaderen, hij mag ze van kop tot teen meten, passen en begluren, alleen moet hij dat doen binnen de strikte rituelen van de modemaker én van de commercie. En die sluiten elke echte erotiek en zeker elke seksuele benadering volkomen uit. Wie deze ‘heilige’ taboeregels doorbreekt begaat een ‘doodzonde’ tegen de commercie én tegen de sekse. Hij kan dan overigens beter zijn zaak sluiten. De “couturier” is niet “de cavalier” die galanterie ten toon spreidt zoals geen ander haantjesgedrag. Hij is niet erotisch bezig met zijn object, alleen esthetisch en… hij is spinnijdig afgunstig op de echte cavalier. In feite heeft hij hier veel weg van de castraat: hij moet zich gedragen als een castraat om binnen de strikte rituelen zo dicht zijn object te mogen benaderen. Zijn vrouw thuis of achter het atelier in haar keuken zal ‘hare vent’ terzake ook wel kennen en… is er doodgerust in. Hij werkt deze frustratie uit op de modegeile cliënte door zijn dedain, zijn cynisme, zijn afgunstig misprijzen voor haar. Ze zouden het eens moeten weten, de mannequins en de goed geklede dames. Het is voorlopig onduidelijk of Kierkegaard hier zichzelf uitbeeldt en zichzelf dus ‘doorheeft’ in zijn mislukkingen als man en als liefdespartner. Zoniet, dan is hij een tragische komiek of liever een ‘armzalig manneke’ (inderdaad, een mannequin). Een filosoof die mislukt in het liefdesleven, ja wellicht is dat echt iets heel armzaligs om te zien en mee te maken. Hopelijk is het allemaal maar “gespeeld” ‘en ook bij de rest van de drinkebroers in het Kopenhaagse Symposion van toen.
Een citaat wil ik u niet onthouden. In zijn onnavolgbare stijl laat K. de couturier zijn cliënte beschrijven. Als die dames ook maar een flauw vermoeden zouden hebben van hoe hij – de couturier – over hen denkt en over het soort van ‘christelijk belijden’ dat er mee gepaard gaat, dan zetten ze geen voet meer in zijn boutique. Ik citeer: “Van mijn boutique is naar de voorname wereld de boodschap uitgegaan voor alle gedistingeerde dames, dat de mode het gebruik voorschrijft van een apart soort hoofdtooi voor wanneer men ter kerke gaat en dat die hoofdtooi weer dient te variëren al naar gelang de draagster zich naar de ochtend- dan wel naar de avonddienst begeeft. Als dan de klokken beieren houdt de equipage stil voor mijn deur. Hare genade stijgt uit (want ook dit is kond gedaan, dat niemand deze hoofdtooi goed kan installeren behalve ik, de couturier). Ik stort mij haar tegemoet met diepe buigingen en leid haar mijn kabinet binnen; terwijl ze mij willoos laat begaan breng ik alles orde. Ze is klaar, ze heeft zich in de spiegel bekeken; gezwind als een bode der goden ijl ik haar vooruit, heb de deur van het kabinet geopend en buig, spoed mij naar de voordeur, leg mijn arm op mijn borst, gelijk een oriëntaalse slaaf, doch bemoedigd door een genadige knix waag ik het zelfs haar een aanbiddende en bewonderende kushand toe te werpen – ze zit in het rijtuig, zie! ze heeft haar psalmboek vergeten, ik snel naar buiten en reik het haar aan door het raampje, permitteer me haar er nogmaals aan te herinneren haar hoofd ietsje naar rechts te houden en zelf wat aan haar hoofdtooi te schikken, mocht die bij het uitstappen ietwat in het ongerede raken. Ze rijdt heen en laat zich stichten.” (p.77)
Volgende vergadering op 25 januari te 16 uur. We bespreken wat we reeds lazen…
Sam Landuyt.

woensdag, januari 02, 2008

NIEUWJAARSWENSEN 2008

Langs deze weg groeten we alle leden en in het bijzonder degenen die momenteel door ziekte verhinderd zijn de bijeenkomsten bij te wonen. We hopen door het verslag enigszins goed te maken wat ze hebben moeten missen. Wij missen hen wel en hopen hen spoedig terug onder ons te hebben! We sturen alvast onze warme hartswensen naar hen allen!

Van harte dus een goed 2008 aan alle leden! En aan alle toevallige lezers van deze Blog. U bent altijd welkom op onze vergaderingen: elke laatste vrijdag van de maand te 16 uur.

We bespreken momenteel: S. Kierkegaard. Deel I van Stadia op de Levensweg:
In vino veritas

Let wel: we bespreken dit, we pratikeren het daar niet zo maar!

Werkgroep Kierkegaard Bijeenkomst van 30.11.2007

Verslag Vergadering

Aanwezig: Sam Landuyt, Noël Melis, Rit Van den Bergh, Bavo Van Eesbeeck, Fientje Van Otten, Chris Vonck,
- Afwezig/Verontschuldigd: Jan Gysen, Levi Matuszschak, Aad Van der Perk, André Vermaut, Hedwig Vandamme

We begroeten een nieuw lid van onze werkgroep: Bavo Van Eesbeeck!

Nieuwe Kierkegaarduitgaven:
- S. Kierkegaard: Wat de Liefde doet, vertaling en verklarende noten door Lineke Buijs en Andries Visser, nawoord door Udo Doedens en Pieter Vos, uitgegeven door Damon
- Een passieloze tijd, de actualiteit van K. maatschappijkritiek. Uitgegeven 2006, 143 blz., € 14,90, Ten Have Kampen.

We bespreken de tafelrede van Constantin: pag. 53 tot 62.

Na “de jongeman” komt Constantin aan de beurt, blijkbaar al goed dronken en algeheel vervuld van zichzelf en de vanzelfsprekende superieure idealiteit van de man. De verborgen angst voor de vrouw en haar seksualiteit werd door ‘de jongeman’ nog eerlijk, maar wat bedeesd erkend – hij wilde immers het denken niet verliezen, dat voor hem zijn eeuwig wezen was - zijn phallus, zou de psycho-analist zeggen. Onze ‘ingewijde’ Constantin, blijkbaar een teleurgestelde minnaar vol complexen van gefrustreerde mannelijke trots en superioriteitsfantasieën draait rond de vrouw als een kat rond de hete brei. Ze is volgens hem “een onvoldragen ethische categorie, die alleen kan begrepen worden onder de categorie scherts”. “Het komt de man toe absoluut te zijn (en ‘geheel’ nvdr), absoluut te handelen, het absolute uit te drukken; de vrouw is relationeel bepaald. Tussen twee zo verschillende wezens kan geen ware wisselwerking plaatsvinden” (p. 54). Helaas, de man (“men” – sic!) “mikt op haar als de ethische categorie, men sluit de ogen (in vertrouwen van gekke verliefdheid bvb, maar ook in dagdagelijkse omgang nvdr) men denkt het absolute aan ethische eisen, men denkt de mens, daarop opent men de ogen en vestigt de blik op de deugdzame jonkvrouw… beklemming maakt zich van u meester en ge zegt bij u zelf: ach dit moet een grap zijn” (p. 54). Daar gaat ze… Men heeft haar verkeerdelijk alle idealiteit toegedicht en haar opgeblazen tot bovennatuurlijke proporties die een jongedame van zestien jaren zich maar kan inbeelden te bezitten en floeps, daar staat ze! Al haar idealiteit is illusie. Bovendien is de vrouw in staat om zich voortdurend, binnen de vierentwintig uur in het onschuldigste gebazel te transformeren, ook het tegenovergestelde van wat ze – gemeend dan nog! – gezegd heeft. Van een “beestje met hete pootjes” (G. Gezelle) gesproken. “De man kan er alles bij inschieten want het absolute heeft maar één absolute tegenstelling, te weten gezwets”. Als de man dan door de vrouw bedrogen wordt geldt het: “ voor een man van wie men geest mag eisen geldt: of hij wordt niet jaloers, of hij wordt jaloers en daardoor komisch”. En hoe ernstiger hij dan wordt hoe komischer. Een uitdaging voor de absolute geest dus, zoals hij door de man volgens Constantin op zo absolute wijze vertegenwoordigd wordt.

Volgende bijeenkomst: vrijdag 21 december te 16 uur. We lezen wat de ‘couturier’ en Johannes de Verleider te vertellen hebben en ook de nabeschouwingen, dus tot het einde of van pag.72 tot en met 94.
Denk ook even aan de bijdrage van 15 € over te maken op 001-1364212-80 van de FVG te 2610 Wilrijk. dank bij voorbaat.

Werkgroep Kierkegaard Bijeenkomst van 26.10. 2007

Verslag I. Vergadering (Hedwig Van Damme)

- Aanwezig: Hedwig Vandamme, Rit Van den Bergh, Aad van der Perk, Fientje Van Otten, André Vermaut, Chris Vonck, Noël Melis.
- Afwezig/Verontschuldigd: Jan Gysen, Sam Landuyt, Levi Matuszschak,

Sørens Symposion

Het is een mooie avond voor een gesprek over de liefde, al ontbreekt hier het gastmaal van Kierkegaard of van zijn voorbeeld Plato. We missen enkele deelnemers en onze bezorgdheid gaat vooral uit naar de gezondheid van Levi.

Maar Søren neemt ons mee naar het gastmaal dat, na moeizame voorbereidingen, dan toch doorging. Het wordt een gastmaal waarop geen vrouwen uitgenodigd zijn (en - geloof het of niet - wij konden hiermee instemmen) met vijf deelnemers: Johannes de Verleider, Victor Eremita en Constantin Constantius (heel goeie vrienden van Søren) en verder een mooie, (nog ‘groene’) jonge man en een ‘couturier’ waarvan de namen niet belangrijk zijn. Alles is ‘pico bello’ voorbereid : exquise gerechten, lekkere wijnen, een fonteintje in de achtergrond, heerlijke muziek, sfeervolle verlichting, de verwachtingen zijn zo hoog dat het hele feest wel eens een ‘mooie droom’ had kunnen blijven. Maar nee, het ging door en het gezelschap geniet … Halverwege de maaltijd stelt Constantin voor dat ieder een toespraak zou houden om de maaltijd af te sluiten, maar dat men alleen het woord mocht nemen als men in de juiste sfeer was – een beetje dronken van de wijn, maar ook niet te veel. En het thema zou zijn ‘de liefde’ of de relatie tussen man en vrouw, zonder echter liefdesgeschiedenissen te vertellen.

Liefde dus – en eerst is de jongeman aan het woord, ja, die zonder ervaring. Hij moest over de liefde spreken als een blinde over kleuren, want hij had nog nooit een liefdesgeschiedenis gehad. Is hij – niet gehinderd door enige kennis ter zake – wel de juiste persoon om dit gesprek te openen? Volgens hemzelf wel omdat hij het verschijnsel objectief waargenomen heeft. Al vlug blijkt dat het zowel over verliefdheid als over liefde gaat, het vinden van de ‘andere helft’: Eros, Afrodite, innigheid, oneindigheid, piëteit, streven, aan namen ontbreekt het niet. Toch blijft het onmogelijk de liefde te definiëren, daarvoor is ze te complex, ‘oneindig’ vervolledigt André. Ook al kunnen we dankzij het decor, de muziek en de aanwezigheid van vrienden bij een rijkelijke maaltijd de gewenste sfeer scheppen, onze woorden blijven ontoereikend. “… Beminnen, daarmee correspondeert het beminnenswaardige, en het beminnenswaardige is het onverklaarbare”. En wanneer “de gescheiden helften elkaar hebben gevonden, dan betekent dit dus de volkomen bevrediging en rust, en toch is het gevolg hiervan een nieuw bestaan” zodat er “niets zo vreselijk is als vader te zijn” want “het zijn twee onvergelijkbare zaken: een mens doodslaan en een mens het leven schenken; het eerste beslist over zijn lot alleen voor het tijdelijke, het andere voor de eeuwigheid…” (p.51). Op het einde van zijn toespraak lachte niemand om wat de jonge man zei, wat deze verwonderde, want hijzelf begreep de anderen niet wanneer hij ze over de liefde hoorde praten …

Wij waren in elk geval zo erg geboeid dat wij ons afvroegen wat de andere deelnemers zouden vertellen die na hem aan de beurt waren. Dat zullen wij volgende keer weten want wij lezen verder en luisteren naar Constantin en Victor Eremita, van blz. 53 tot en met blz.72. Veel leesgenot! Volgende bijeenkomst: vrijdag 30 november te 16 uur.

Hedwig Van Damme / Fientje Van Otten.


Verslag II Vergadering ( Rit Vanden Bergh)


Wie ooit het "Symposion" van Plato las, herkent meteen een parallel in de tekst "In vino veritas" van Kierkegaard.: een uitgelezen gastmaal, overeenkomstig alle vereisten van het ideale droombanket en zelfs meer dan dat aangezien de uiteindelijke 'leegte' van een overvloedig eet- en drinkgelag bezworen wordt doordat de deelnemers, vijf in aantal waaronder drie pseudonymen van Kierkegaard, 'de waarheid zoeken in de wijn.'.
Wat betekent dat elk van hen beurtelings verondersteld wordt een toespraak te houden op het moment dat de wijn de tongen losgemaakt heeft en men met gemak prijsgeeft wat men in nuchtere toestand liever voor zich houdt. Het thema bij uitstek is dan ook de liefde of de relatie tussen mannen en vrouwen. Het weze genoteerd dat er geen vrouwen aan de dis werden toegelaten wat bij ons, lezers, tot enkele bedenkingen leidde, met het oog op de 'ideale' feestmaaltijd.
De jongste, anonieme deelnemer krijgt als eerste het woord. Hij doet denken aan een Adonis, een beeldschone jongeling ,maagdelijk puur - en dat blijkt hij ook te zijn! - een jonge intellectueel - niets gaat er boven het denken! - die elke liefdeservaring mist - wat hij zonder meer toegeeft - en waar hij het ook hoopt bij te kunnen laten hoewel hij daarvoor vreest. De liefde immers palmt jezelf of de ander voor je in, en. voordat je het weet is het te laat; je kan de liefde dus maar beter bedenken voordat ze je belachelijk heeft gemaakt. Want 'liefde' is belachelijk, ridicuul, komisch omdat ze tegenstrijdig is en een mens in tegenstrijdigheden verstrikt. Voor het verstand is ze compleet onverstaanbaar, maar wat er precies onverstaanbaar aan is, weet niemand te zeggen. Als begrip betekent 'liefde' niets en toch beweert men dat ze een essentieel element is van het menselijk bestaan, zoniet het summum van wat er menselijk zoal te beleven valt! De liefde is, zo wordt gezegd, de opperste zaligheid, het leven op topniveau, maar men gaat er helaas aan dood, aan de zoveelste ongelukkige liefde! Vraagt men bovendien naar haar object, dan schijnt niemand dit te kennen. Op de vraag wat dan precies beminnenswaardig is blijkt er geen antwoord te zijn. Als Plato het Goede of het Schone als beminnenswaardig suggereert overschrijden we de grens van de erotiek en komen we in etisch-metafysische domeinen terecht. (Zoals bekend was de vrouw voor Plato geen optie, dan nog liever de jonge knapenliefde, zoals dat trouwens de gewoonte was in Griekenland waar de man-vrouw relatie als een louter functionele en daarom secundaire relatie gold).
En stel dat je in het algemeen zou kunnen opperen dat mannen 'vrouwen' beminnen en vice versa dan zit je er nog naast want de liefde werkt exclusief: het gaat om die Ène, en waarom juist die Ène en geen andere is niet te zeggen. Waarom alle mensen trouwens perse willen beminnen en bemind willen worden blijft voor de rede een raadsel. En het ongeluk of het geluk wil dat we als redelijke wezens 'geschapen' zijn en het reflecteren niet kunnen laten. De reflectie is de eeuwige derde; "l'amour se fait toujours ‡ trois" schrijft Marguerite Duras. De vermaledijde derde.
Vanwaar de lust, vanwaar de begeerte? Is ieder mens misschien maar een 'half' mens (cfr. Aristophanes), eeuwig op zoek naar zijn wederhelft? Voor de vrouw is dit zonder meer duidelijk, er valt dan ook niet mee te lachen; de man daarentegen denkt zichelf als een geheel en wanneer hij zichzelf als een helft gedraagt, geeft dit aanleiding tot hilarisch gelach!
Liefde is dus komisch - want het komische heeft in wezen altijd te maken met tegenstrijdigheid en, in de mate dat de liefde je onverhoeds overvalt zonder dat je er aan kan weerstaan - want dingen die je niet kan begrijpen kan je ook niet vermijden omdat je zonder inzicht in de zaak geen enkele strategie kunt uitdenken - is zij in wezen ook tragisch.
Kortom, de liefde is niet wenselijk!
Slechts ÈÈn enkele vorm van liefde is voor de spreker aanvaardbaar, want begrijpelijk: de 'piÎteit' van de zoon ( over vrouwen, zij het meisjes, dochters of moeders wordt er in deze toespraak zeer weinig gezegd!) voor de vader waaraan hij het leven te danken heeft (!). Het leven schenken is de hoogste act in de hiÎrarchie van waarden die een mens kan verrichten en dwingt de ontvanger onvoorwaardelijk in een relatie van eeuwigdurend respect, dankbaarheid en schuld De spreker schijnt hier geen enkel probleem mee te hebben.tot op het moment dat hij zich over een eventueel eigen vaderschap moet uitspreken. Wat wil het zeggen 'vader' te zijn? De tegenstrijdigheden steken opnieuw de kop op, want hoe kan een piÎteitsvolle zoon vader worden en hoe zit het dan met de vader van de zoon die vader wordt? Is het vaderschap slechts inbeelding? Is het de afschuwelijkste van alle gedachten of is het de hoogste levenstaak?
Even maar vrees je als lezer dat de spreker in de grootste verwarring en onzekerheid zijn toespraak zal beÎindigen, maar niets is minder waar. Buitengewoon klaar en helder bekent hij dat 'het eeuwige' in hem niet de liefde maar het denken is . Niets, geen vrouw, moeder of vader zal hem ertoe brengen het denken te verraden.
Is het denken misschien zijn lief? Hoe belachelijk!.

Zeer benieuwd kijken we uit naar de twee volgende toespraken van Constantin Constantinus en Victor Emerita op 30 november om 16u. Tot dan.

Rit Van den Bergh.

maandag, november 05, 2007

Werkgroep Kierkegaard Bijeenkomst van 28.09.2007

Verslag Bijeenkomst


- Aanwezig: André Vermaut, Chris Vonck, Fientje Van Otten, Rit Van den Bergh, Sam Landuyt
- Afwezg: Ad van de Perk, Hewig …, Frans Martens
- Verontschuldigd: Levi Matuszschek, Jan Gysen

We starten dit academisch jaar 2007 – 2008 met de lezing van een nieuw boek van S. Kierkegaard: STADIA OP DE LEVENSWEG Deel I, in Nederlandse vertaling van Jan Marquart Scholtz, met een inleiding door W.R. Scholtens, uitgegeven door Meulenhoff, 1987, gebaseerd op de eerste uitgave in het Deens van 1845. De noten zijn uit Dagboek 1901???

We horen dat een van onze meest toegewijde leden, Levi M. ziek is en we brengen hem onze groeten over en wensen van herstel via een kaartje en tevens ook middels dit verslag. Goed en vlug herstel Levi!, we missen je uitgebreide kennis van onze auteur!

De Inleiding door Hilarius, pseudoniem van Kierkegaard, zo geschreven om de welwillende aandacht van de lezer te krijgen -“Lectori benevolo” – is van een gelijklopend scenario als in Of/Of. Ze is anekdotisch en ook de voetnoten zijn in pseudoniem. K. verbergt hiermee zichzelf een beetje. Waarom? Een beetje pleinvrees of plankenkoorts? De inleiding doet het voorkomen dat een ijverige brave boekbinder het manuscript gekregen en opgeborgen had, of liever het ter instructie van zijn kinderen gebruikte voor het schoonschrift ervan, maar er toch geld en interesse in zag toen een seminarist en candidatus in de filosofie ( K.zelf ?) hem er op attent maakte dat hij daar een heel “voortreffelijk geschenk van de voorzienigheid in huis had”… Zo zie je maar hoe K. het aan boord moest leggen om gelezen te geraken. Of ij ook begrepen werd door de boekbinders en co, daar bleef hij wellicht zijn twijfels over bewaren, zo menen we.

“In vino veritas”, een Herinnering. Naverteld door William Afham (“Doorhem”) Zo begint het eerste deel. En al meteen vooraf een “Voorherinnering” (vóór de herinnering blijkbaar?).
Even taalkundig:
Voorherinnering is Avertissement (Fr.).
Herinneren is: se rappeler, se souvenir (Fr.), remember (Eng) ; Herinnering, Souvenir (Fr.), Rememberance (Eng).
Geheugen is mémoire (Fr.), memory (Eng.)

En dan beginnen we. Net zoals in Daden van Liefde, ons vorige boek, ziet het er naar uit dat K. ons zal confronteren met twee dimensies (of integratieniveaus?) van beleving: de onmiddellijke (instantané), voorbijgaand, tijdstipgebonden (het geheugen van – ) en de “eeuwige”, wezenlijk (herinnering). K. is een fantastisch goede beschrijver (is dat zijn fenomenologie?) en hij zet aan met de beschrijving van wat “een geheim toebereid (toebedeeld, toevertrouwd?) krijgen” zoal meebrengt voor de drager ervan. Dit om het klevende, beklijvende aspect van elke ware herinnering nadien te kunnen aanvatten. Dit tegenover het tijdelijke, accidentele van het geheugenspoor van het gebeurde. Het geheugen is niet meer dan “een voorwaarde van verdwijnende betekenis”. Men kan een voorval tot in de details in zijn geheugen bewaren en oproepen, “zonder dat men zich die gebeurtenis daarom ook herinnert”. De herinnering daarentegen draagt de onsterfelijkheid in zich , in een “uno tenore” van het leven, de eeuwige continuïteit ervan dus. Hij voert het voorbeeld aan van Jacobi, een idealistische filosoof die niet langer dan een moment kon denken aan de onsterfelijkheid zonder het gevaar er bijna gek van te worden. Maar als men geheugen en herinnering met elkaar verwart en de inhoud ervan daardoor verliest, is alles niet meer zo schrikbarend. Vandaar dat zovele er geleerd en zonder moeite over kunnen preken (en filosoferen?. Zonder “Vrees en Beven”? Sneer naar zijn ambtsbroeders op de kansel?

Volgende bijeenkomst: vrijdag 26 Oktober te 16 uur.

DADEN VAN LIEFDE HOE IEDER VAN DE LEDEN VAN DE WERKGROEP DIT BELEEFD HEEFT

Werkgroep Kierkegaard
Academisch Jaar 2006 – 2007

Verslag van de werkzaamheden

De werkgroep Kierkegaard telt een tiental werkende leden en komt elke maand samen van september tot juni. Dit jaar werd verder gegaan met de intensieve lezing van het tweede deel van het werk van S. Kierkegaard: Daden van Liefde, in de Nederlandse vertaling van Maria Veltman, uitgeverij Garant Leuven – Apeldoorn, tweede druk 1996.

We zijn thans op het einde van dit monumentale werk gekomen en hebben elk onze eindbeoordeling aan elkaar voorgelegd.

De verslagen van de werkgroep evenals (binnenkort) de persoonlijke eindevaluatie van ieder lid kan gelezen worden op onze weblog: http://werkgroepkierkegaard.blogspot.com/. Nederlands met een korte Engelse samenvatting.

Het meest boeiende voor ons van deze lezingen was de persoonlijke toets en inzet die geleidelijk aan sterker en duidelijker werd onder de deelnemers. De toetsing van de woorden van K. - “die men staande en luidop moet lezen” volgens de auteur – aan ons persoonlijk leven en werken, maakte duidelijk hoe intens K. de ‘taal van de geest’ (P. 373 Opmerkingen bij Deel II hoofdstuk II) spreekt. Als men zich de moeite geeft om zich door de tekst heen te worstelen (hij is onderhand anderhalve eeuw oud – 1847 - en dat merkt men ook wel af en toe) dan opent zich de hoogte en de diepte, de “eeuwige rijkdom” van de Liefde, zoals Paulus ze in Romeinen 13 verheerlijkt heeft.

K. Is niet erg “in” bij de jonge generaties. Alles gaat blijkbaar met cycli van op en neer, ook het geestesleven en de interesses van het intellect. Toch is wat deze nukkige, wat melancholische Deen ooit staande geschreven heeft, naast zovele andere van zijn uitgaven, fundamenteel “voedsel voor de ziel”, de kern van het christen – zijn zelf. Hij worstelt met de woorden, is nooit helemaal tevreden over wat en hoe hij het zegt, als het maar de juistheid en de waarheid benadert zoals hij ze ongetwijfeld in zijn leven vermoed heeft en trachten te beleven heeft. Geen woorden van of over liefde, geen lyriek of dichterlijke vlagen, maar daden, daden, daden van liefde. Als om de werkelijkheid te benadrukken tegenover de vloed van words, words, words van, toen Hegel en nu de bijna gehele academische pers en wereld.

Sam Landuyt
16 mei 2007

DADEN VAN LIEFDE HOE IEDER VAN DE LEDEN VAN DE WERKGROEP DIT BELEEFD HEEFT

FVG Werkgroep Kierkegaard

Daden Van Liefde
Aad van der Perk: eindnota’s
24. April 2007

Na alle discussies over de Kierkegaardstudie betreffende de “Praktijken van de Liefde” heb ik mij neergezet en alles in alle rust en stilte overwogen.

Ik heb mij ook af en toe eens verdiept in wat andere auteurs er over schreven. O.a. Schweitzer in “Was sollen wir tun” en andere werken van zijn hand.
Treffend is deze uitspraak: Alle geschrijf en gefilosofeer desbetreffende zinkt in het niet bij de actuele daad. Inderdaad!.
Toch ontkomt men niet aan de gedachte: “Waartoe dit alles?” Zoals K. zich ergens afvraagt: “Is er een theologische suspensie van het ethische?” Op zijn Hollands gezegd: een doelgerichte afhankelijkheid?
Daarop zijn al verschillende antwoorden gegeven. De Calvinisten en ook de Moslim zegt: “De Ere Gods” Al hamdu l’illah”. Jezus zegt ergens: “Wat gij de armen gedaan hebt, hebt ge aan mij gedaan”.
Het Middeleeuwse R.K.- christendom dacht met de goede werken de hemel te verdienen. “Als het geld in ’t kistje klinkt, het zieltje in de hemel springt”. Een gedachtegang waartegen Luther en anderen in opstand kwamen.
Zelf denk ik er anders over.
De eeuwige heeft ons eerbetoon niet nodig. Het is geen aardse potentaat uit de oude doos die bewierookt, gevleid wenst te worden. Met “goede werken de hemel verdienen” is een gedachte die inspeelt op het menselijke egoïsme en daarom alleen al afkeurenswaardig. In de Thora komt de tekst voor: “De mens die deze dingen doet, zal door dezelve leven”. Daar zit een kern van waarheid in. In psychologische zin. Weldoen adelt het karakter. Toch is ook dat bijzaak. Persoonlijk welgevallen of teleurstelling mag geen rol spelen.
Centraal dient te staan: de doelgroep, zowel praktisch als theoretisch.
Bij discussies over de organisatie van één of andere Aktie: de doelgroep.
Bij de persoonlijke vraag: waarom doe ik dit of dat?: de doelgroep, om die te helpen.
Bij dagelijkse omgang met mensen en medeschepselen: de doelgroep!

Verder met verstand en overleg te werk gaan. Er moet duidelijk sprake zijn van hulpbehoevendheid. En er moet de praktische mogelijkheid zijn om te helpen.

Verder: oppassen voor misbruik, zoals in het vervolg op het verhaal van de Samaritaan. Toen die een week later die zelfde plek weer passeerde, lagen er 2. Enfin die ook maar geholpen. En een weekje later 5, etc. etc.

Conclusie: Alles wat maar zweemt naar egoïsme: uitbannen!
Een altruïstische geesteshouding cultiveren!
De doelgroep staat centraal.
Elke doelgroep is een doelverzameling en maakt deel uit van de hoofdverzameling: al wat leeft ,al wat bestaat, al het zijnde.

Aad van de Perk

DADEN VAN LIEFDE HOE IEDER VAN DE LEDEN VAN DE WERKGROEP DIT BELEEFD HEEFT

FVG Werkgroep Kierkegaard

Daden van Liefde
Fientje Van Otten: eindnotities
24 april 2007

Toen Levi tijdens vorige bijeenkomst heel laconiek de vraag stelde: hoe zou je dit boek (Daden van Liefde) kunnen samenvatten, wist hij niet hij ons denk- en werkstof bezorgde om ons eigen persoonlijk antwoord te geven op de vraag: Wat boeit je in dit werk? Wat heeft je aangesproken en wat niet?

Voor mij persoonlijk sluit dit aan bij de meer algemene vraag: waarom ik van K. houd? En dat is omdat hij in zijn denken en leven, als mens, als kristen, als filosoof de plaats opzoekt waar tussen God en mens vrijheid ontstaat en deze plaats heet ‘liefde’ (een citaat dat ik ooit in een werk over hem las, ik weer niet meer waar). Dit is de plek waar ik ook zou willen staan en blijven, bij die God van Liefde, die niet voor zichzelf hield, maar alles in liefde gaf… De liefde is slechts wat hij is door er te zijn in U!... Gij die overal aanwezig bent en nooit zonder getuigenis. (Cf. inleidend gebed in dit deel, p. 16).

Het boek omschrijft ‘Daden van Liefde’ als ‘sporen van die God’ die zich kenbaar maakte in de in de tijd gekomen Jezus, die de mens het bestaan van de Geest leerde, (m.a.w. van die Liefde) en wat de mens, die de gestelde hypothese aanvaardt, op zich neemt en kan verwachten.

In deel II dat we dit jaar hebben gelezen worden uitvoerig de onvoorstelbare mogelijkheden van de liefde bezongen, zoals bij Paulus in zijn Corinthiënbrief, maar hier in 10 hoofdstukken. Ik heb de indruk dat het eerste hoofdstuk eigenlijk alles draagt:

De liefde bouwt op…

K. noemt het ‘de overdrachtelijke wekker en bewerker van werkelijkheid-die-het-leven-is. Liefde geeft structuur, is dragende kracht, bron van licht en leven, steeds positief. Het negatieve is haar vreemd… de overige beschrijvingen geven hieromtrent meer verduidelijking wanneer hij zegt:

Liefde gelooft alles
Als tegengesteld aan wantrouwen
Liefde hoopt alles
Als tegengesteld aan ‘wanhoop’ en ‘vertwijfeling’
Liefde zoekt niet zichzelf
Is gericht op de andere,n waarbij ‘mijn en dijn’ wordt opgeheven, opgetild in de ware liefde die God is.
Liefde bedekt een menigte van zonden
Is geduldig, vergevingsgezin, niet uit naïviteit of lafheid, maar als uiting van inzicht in de aard van zonde en zondaar
Liefde blijft
Haar bron droogt nooit op en draagt het gehele bestaan

Dat zijn wat mij betreft, de voornaamste bakens die K. uitzet: de overige hoofdstukken – bvb dat je de doden moet gedenken, dat ‘barmhartigheid’ ook verwacht wordt als je niets te geven hebt, zijn verduidelijkingen.

Waar het eigenlijk op aankomt – en dat staat verscholenb oop pag. 362, zo ergens tussenin – ‘je in alles verhouden tot God’, wat de Latijnen noemden “coram Dei” – voor Gods Aanschijn, in Zijn Tegenwoordigheid. En zo ben ik dan weer op de plek beland waar ik zou willen staan en waar ik in het begin over sprak.

Dat was voor mij, heel in het kort, de lectuur van ‘Daden van Liefde’.

Fientje Van Otten

DADEN VAN LIEFDE HOE IEDER VAN DE LEDEN VAN DE WERKGROEP DIT BELEEFD HEEFT

FVG Werkgroep Soren Kierkegaard

Daden van Liefde

Hedwig Van Damme: Persoonlijke Samenvatting

Een vraag van Levi Matuszczack: hoe zou je op één pagina voor jezelf de betekenis van dit werk van S. Kierkegaard noteren?

Hier dus alvast een poging:

K. laat zich de Daden van Liefde inspireren door de bekende passage ‘als ik de liefde niet heb’ uit I Cor. XIII, maar voor het zo ver is cirkelen zijn gedachten om het gebod van de liefde: gij zult uw naaste liefhebben.

Tekenend is de innerlijkheid, het gaat om een geheim, het gebeurt in het diepste van de mens en is niet in woorden te vatten. Toch herkent men de ware ingesteldheid aan de daden, zoals de boom aan de vruchten wordt herkend.

Ter illustratie (2de deel) commentarieert hij uit I Cor. VIII en XIII:
- de liefde bouwt op / de liefde gelooft alles (en wordt toch nooit bedrogen) / de liefde hoopt alles (en wordt toch nooit beschaamd) / de liefde zoekt niet zichzelf / de liefde vergeeft alles / de liefde blijft (ook over de dood heen).

Goddelijke liefde is uit eeuwigheid ontstaan en in eeuwigheid geworteld; ze is zonder de tekortkomingen van de menselijke liefde, die zo vaak vertroebeld wordt door eigenbelang en zelfbedrog, terwijl juist het offer onontbeerlijk is.

K. worstelt duidelijk met het onderwerp. Hij verkondigt geen blijde boodschap waar een vonk van overslaat naar de lezer.
Hij is m.i. niet te benijden met zijn diep, maar zo weinig vreugdevol geloof. Als je hierover nadenkt, is het boek des te waardevoller, als een rusteloos zoeken naar een vertrouwensvolle geloofshouding, met verplaatsing van de kern ervan van het hoofd naar het hart.


Hedwig Van Damme
26. april 2007

DADEN VAN LIEFDE HOE IEDER VAN DE LEDEN VAN DE WERKGROEP DIT BELEEFD HEEFT

FVG Werkgroep Soren Kierkegaard

Daden van Liefde

Hedwig Van Damme: Persoonlijke Samenvatting

Een vraag van Levi Matuszczack: hoe zou je op één pagina voor jezelf de betekenis van dit werk van S. Kierkegaard noteren?

Hier dus alvast een poging:

K. laat zich de Daden van Liefde inspireren door de bekende passage ‘als ik de liefde niet heb’ uit I Cor. XIII, maar voor het zo ver is cirkelen zijn gedachten om het gebod van de liefde: gij zult uw naaste liefhebben.

Tekenend is de innerlijkheid, het gaat om een geheim, het gebeurt in het diepste van de mens en is niet in woorden te vatten. Toch herkent men de ware ingesteldheid aan de daden, zoals de boom aan de vruchten wordt herkend.

Ter illustratie (2de deel) commentarieert hij uit I Cor. VIII en XIII:
- de liefde bouwt op / de liefde gelooft alles (en wordt toch nooit bedrogen) / de liefde hoopt alles (en wordt toch nooit beschaamd) / de liefde zoekt niet zichzelf / de liefde vergeeft alles / de liefde blijft (ook over de dood heen).

Goddelijke liefde is uit eeuwigheid ontstaan en in eeuwigheid geworteld; ze is zonder de tekortkomingen van de menselijke liefde, die zo vaak vertroebeld wordt door eigenbelang en zelfbedrog, terwijl juist het offer onontbeerlijk is.

K. worstelt duidelijk met het onderwerp. Hij verkondigt geen blijde boodschap waar een vonk van overslaat naar de lezer.
Hij is m.i. niet te benijden met zijn diep, maar zo weinig vreugdevol geloof. Als je hierover nadenkt, is het boek des te waardevoller, als een rusteloos zoeken naar een vertrouwensvolle geloofshouding, met verplaatsing van de kern ervan van het hoofd naar het hart.


Hedwig Van Damme
26. april 2007