zondag, februari 22, 2009

Werkgroep Kierkegaard Bijeenkomsten van 2009

Verslag van de Bijeenkomst van 30.01.2009

Aanwezig: Sam Landuyt, Noël Melis, Bavo Van Eesbroeck, Hedwig Van Damme, Fientje Van Otten, André Vermaut, Chris Vonck
Afwezig en verontschuldigd: Jan Gysen, Levi Matuszczak, Rit Van den Bergh, , Aad Van der Perk.


Werken:
- Deutsche Søren Kierkegaard Edition, Band 2. Journale und Aufzeignungen EE – KK. Herausgegeben von Richard Purkarthofer und Heiko Schulz. Walter de Gruyter - Berlin – New York
- Søren Kirekegaard-arbejdsgruppe på Faculteit Vergelijkende Godsdienstwetenschappen in Kirkebladet Den danske kirke i Bruxelles. 32 j. nr 1 årgang nr 1. Korte voorstelling van de werkgroep in dit kerkblad van de Deense Zeemanskerk te Antwerpen.
- www. users.skynet.be/streven/verstrijnge/Kierkegaard.htm

De Bijeenkomst:

Het wonder van de verliefdheid (miracle of love a miracle of faith...) wordt het wonder van het geloof (p.177). Door het “reinigingsbad van het besluit”, zoals we al gezegd hebben. Vraag is hier wel: en hoe gaat het dan in het besluit en huwelijk van de niet-gelovige? Men kan stellen dat dezelfde ernst van de wezenlijkheid, van het geloof, het vertrouwen en de liefde die K. hier religieus beschrijft en in relatie tot God stelt, daar beschreven en beleefd zal worden in de relatie tot de andere, de partner. Aan de huwelijken te zien, gaat dat ook goed.
K. gaat, even maar, ook in op “het berouw” bij het besluit van iemand die “er niet mag op vertrouwen een gewoon mens te zijn”. Is dit wellicht een allusie op zijn speciaal geval? Hoopt hij hierbij dat Regina, zijn ex-verloofde het ooit zal lezen en begrijpen, hem begrijpen?
Maar daar zijn we al bij de huwelijksvoltrekking. De nog altijd even mooie jongeling, met het besluit als bruidschat onder de arm, gaat “in ernst en waarheid” (p. 179) naar het altaar, zijn toekomstige vrouw tegemoet. Maar à propos, hoe zit het nu eigenlijk met die vrouw? Er volgen enkele merkwaardige bladzijden over het onmiskenbare onderscheid - volgens K. en zoveel anderen dan toch - in de psychologie tussen man en vrouw. “Een vrouwenziel kent niet die reflectie zoals de man die kent en die behoort ze ook niet te kennen” “Snel als een vogel komt ze van de esthetische onmiddellijkheid tot de religieuze”. De man moet de tussenstap maken van de ethische ontwikkeling. Genen? Kultuur? Mannelijk vooroordeel van de patriarchale maatschappij? Voordeel of juist niet? “De hoogste vorm van verstand die een vrouw kan hebben is een religieuze onmiddellijkheid”. Omdat de vrouw in haar onmiddellijkheid essentieel esthetisch is, is ook de overgang naar het religieuze rechtstreeks. Anders is ze enkel “sensuele begeestering”. Als de vrouw nog maar begint aan de reflectie, “valt ze al in zwijm”. Allo! Kan het Vaticaan daarmee weg? Of is dit toch wel een nadere kijk waard? Wat is dat ethische precies, waar de man zo sterk in zou zijn? Misschien toch een hinderlijke tussenstap, niet veel zaaks en veel te omslachtig om er de werkelijkheid mee te leren omarmen? Misschien. Of verkijkt K. zich zoals velen op die eeuwige “emotionaliteit” waarin de vrouw zo sterk zou zijn en die de biologische drager is, inderdaad, van de esthetica? En is de mannelijke geschiktheid voor tools en operationeel denken gelegen in een ander hersendeel dat geactiveerd is geraakt, door de eeuwen heen van jagers en vissers en krijgers. Terwijl moeder de pap maakte? En vergeet niet – een persoonlijk toemaatje hier – “de herinnering aan de reuk van mijn moeder en haar keuken is een sterkere ondersteuning van mijn zelfvertrouwen dan elk filosofisch argument” . Zelf gevonden.
Omdat we vonden dat we, zoals K. zelf hier, te lang zijn blijven hangen, zal Noël Melis ons volgende maal een samenvatting maken van een groter aantal bladzijden. Zo geraken we misschien nog bij de kinderen van de rechter. Of zijn die er niet? Als de rijpe vruchten van al zijn filosofische overwegingen?

Volgende bijeenkomst: 27.02.2009 te 16 uur.

Next Gathering February the 27th, 2009.

S. Landuyt

Werkgroep Kierkegaard Bijeenkomsten van 2008

Verslag van de Bijeenkomst 18.12.2008

Aanwezig: Sam Landuyt, Noël Melis, Bavo Van Eesbroeck, Rit Van den Bergh, Aad Van der Perk, Fientje Van Otten, André Vermaut, Chris Vonck
Afwezig en verontschuldigd: Jan Gysen, Levi Matuszczak, Hedwig Van Damme, Aad Van den Berg.


We gaan verder met de lezing van Stadia op de Levensweg / Stadier paa Livets Vei, pag. 170 e.v. Het beslissende punt: er moet een besluit toegevoegd worden aan de verliefdheid. Eindelijk! zouden we zeggen. Maar K. zou K. niet zijn als het direct gedaan was. Neen, o filosofen aller landen: een besluit veronderstelt reflexie en… reflexie is de moordende engel van de onmiddellijkheid. En van de daadkracht, zijn we geneigd er aan toe te voegen. Maar geduld! Er is één onmiddellijkheid die door de reflexie ontzien wordt en dit is precies de verliefdheid. Daarmee onttrekt K. het besluit in de verliefdheid los van de onmiddellijkheid. Maar vervolgens werpt K. zo een beetje alles door elkaar. K. schept een ideaalbeeld dat hij zelf (in zijn leven) ontrouw is. Spraakverwarring en moeilijkheid om de ideeën te volgen… Gevolg van het worstelen van K. zelf met verliefdheid, liefde, besluit tot huwen? Rekenen in de liefde, zelfs met oneindige grootheden, is toch nog rekenen. “Het enige, kernachtige antwoord op alles wat de verliefdheid aangaat is: ik houd van haar”(p. 171). Because? Because!. Waarom? Daarom! En is dit trouwens ook niet zo voor de gevestigde, met een jawoord bestempelde en in het leven verankerde en geteste liefde zelf? “It’s my wife!”. Dus geen bewondering of beredenering van de bewondering in de verliefdheid of als argument tot het besluit. Alleen bewondering voor “haar wezen” is geen krenking van de onvoorwaardelijkheid van de verliefdheid en haar besluit. Wat pas in het volle huwelijksleven tot zijn volle recht zal komen. Hoe moet dan de reflectie zich bewegen? Op de relatie waarin de verliefdheid tot de werkelijkheid staat. Trouwen betekent een buitengewone concretisering daarvan. Het nemen van dit soort besluit is dan het ware begin van de vrijheid. De lust (in de verliefdheid) “doet dan alle arbeid vlotten”. Gelukkig maar! Zo ontstaat “door de zuiver ideëel uitgeputte reflectie heen een gewonnen een nieuwe onmiddellijkheid”(p. 175) die precies beantwoordt aan de onmiddellijkheid van de verliefdheid en die een religieuze fundering heeft. Het besluit vormt, in de onmiddellijkheid van de ernst van deze nieuwe onmiddellijkheid, een religieuze onmiddellijkheid, een religieus uitgangspunt, een nieuw begin dus. In wezenlijkheid, ontsnappend aan de reflectie als zodanig. De verliefde buigt voor de imperatief van de plicht om zich vervolgens op te richten in de optatief van het besluit. Het reinigingsbad van het besluit, voor de ogen van God, in relatie geplaatst tot God. Oef! Ja. OK. Maar liever niet op mijn eigenste trouwdag om dit allemaal te moeten horen en overwegen.

Nog even dit: “de lust doet alle arbeid vlotten” (p. 174). Het staat er zo maar tussendoor. Waarbij we toch even kunnen overwegen wat er zoal gebeurt als de lust, om welke reden dan ook, ontkoppeld wordt of geraakt van deze ‘arbeid’ en een eigen leven gaat leiden, een autonome dynamiek, zonder het einddoel van het of-of besluit nog te willen ondergaan…
Volgende bijeenkomst op 30.01.2009 te 16 uur, zoals gewoonlijk.

Next gathering on the 30th of January.

S. Landuyt

zondag, november 30, 2008

Werkgroep Kierkegaard Bijeenkomsten 2008

Verslag Bijeenkomst van 31.10.2008

Aanwezig: Karel Eisses, Noël Melis, Sam Landuyt, Hedwig Van Damme, Rit Van den Bergh, Aad Van der Perk, Fientje Van Otten, André Vermaut, Chris Vonck

Afwezig/ verontschuldigd: Jan Gysen, Levi Matuszczak

We bezoeken vooraf even de interessante tentoonstelling die doorgaat op de Faculteit: De Drakenbrug naar de Hemel; Yao ceremoniële schilderijen en voorwerpen.

We begroeten Dr.Karel Th. Eisses, auteur van een met monnikengeduld samengesteld repertorium, een onmisbaar boekdeel voor elke Kierkegaardkenner: 160 jaar (in de voet) sporen van Soren Kierkegaard. Kierkegaard in het Nederlandse taalgebied. Keiproducties Utrecht, Boomker Haren BV. Geheel herzien 2007. ISBN 978-90-71809-73-6. Trefwoorden: bibliografie, Kierkegaard, Nederlandstalig, filosofie, theologie.

Een ander boek over Kierkegaard wordt vermeld: Frits Florkin: Geloven als Noodweer. Het begrip “Het religieuze” bij S. Kierkegaard. 2002.

We hervatten onze lezing op blz. 159, waar we Kierkegaard in juni ll. verlaten hebben. “Ik keer terug tot de verliefdheid”. Verliefdheid en het besluit te huwen zullen samen de voortdurende werkelijkheid vormen die het hele huwelijk blijvend zal doordringen. De verliefdheid treft dan het besluit aan “als een verlate onmiddellijkheid… van ‘weerlichten’ op het tijdstip dat de wil genoeg ontwikkeld kan zijn om een besluit te nemen”..Wie echter de verliefdheid wil ‘maken’ of op jacht gaat er naar, mist ze keer op keer. De echte verleider neemt het verkeerde, demonische besluit (K noemt dat een “ethisch slecht” besluit – een beetje een eigenaardige definitie, vinden sommigen van ons) van niet te willen besluiten tot huwen, maar het genot zo kort en hoopt hij, zo intens mogelijk te maken. De twijfelaar echter is te goed om demonisch te besluiten en niet goed genoeg om het goede besluit te nemen, eigenlijk niet goed genoeg om echtgenoot te worden. Dit zijn deviaties van de verliefdheid. Een groot geniaal voorbeeld ervan beschrijft K. dan in de persoon van Goethe en zijn werk “Aus meinen Leben”, tenminste toch Goethe “zoals hij zichzelf heeft uitgebeeld “in Dichting und Wahrheit”. Het gaat om de uitvluchten zoeken en vinden i.p.v. het goede besluit nemen. Iemand zegt langs zijn neus weg dat onze K. wat jaloers blijkt te zijn geweest op Goethe. Wordt genoteerd, maar maakt de redenering nog niet stuk. En dan begint K. een van zijn onverbeterlijk ironische beschrijvingen van het poëtische bestaan (in de verdichte persoon van Goethe, die hij inderdaad niet kan rieken of zien). Flauwiteiten! Vaudeville! Hoffelijk en in der minne afscheid nemen der geliefden! Het kan niet op. Nauwelijks een paradigma, vindt K., dat toch nog iets van de ernst van het paradigma aanneemt omdat het zoveel mensen “overkomt”. Wat de dramatiek van de romantiek dan is. Of de soap van het leven zoals het is, zouden wij misschien zeggen. Genoteerd moet toch worden dat de periode van de Romantiek, waarvan Goethe een lichtend voorbeeld was, toch de kentering gebracht heeft naar de notie van de persoonlijke individuele, unieke keuze van de geliefde en de huwelijkspartner en sindsdien in het collectieve bewustzijn van de westerse, Europese en Angelsaksische blanke mens verankerd is. Dit is dus meer dan uitvluchten. Volgende keer: blz. 164 en volgende.

SL

Next meeting: Friday november 28th – 16:00 – 18:00. Welcome!

Verslag bijeenkomst Werkgroep Kierkegaard van 30.05.2008

Aanwezig: Sam Landuyt, Fientje Van Otten, Hedwig Van Damme, Rit Van den Bergh, Aad Van der Perk Chris Vonck,
Afwezig/ verontschuldigd: Jan Gysen, Levi Matuszczak, Noël Melis, André Vermaut

Was het luiheid of inspiratie die ons overviel, ik weet het niet, maar we kwamen er niet toe om deze keer ook maar één letter te lezen uit Stadia op de Levensweg. We hadden ondertussen wel een uiterst boeiend en levendig gesprek over alles en nog wat, wel te verstaan zo filosofisch en religieus mogelijk…Waarover hadden wij het?
- We toonden elkaar een paar illustraties: een gedicht van Vader Cats en een cartoon over de “mission impossible” van vele echtelieden vanaf een zekere leeftijd. Ze zullen op de website verschijnen. Even geduld.
- Over K.’s gebrekkige kennis en ervaring van ‘het echte huwelijk’ en hoe hij dus altijd wat “idealitair” zal blijven in deze materie en over zijn grote kwaliteiten als literator en niet alleen als filosoof. Vergelijk hoe hij het hof en het prieeltje beschrijft van de rechter en zijn gade. En hoe de zatte bende er mee omgaat. Zelfs een van hen een manuscript jat van de oude heer.
- Over het feit dat wanneer dichterlijk over de partner gezongen of gesproken wordt, zij /hij geen naam draagt, enkel ‘idee’ is en dus inderdaad nog ‘idealitair’ beleefd wordt. Er is nog geen ontmoeting in het esthetische, alleen een onvervuld en onvervulbaar verlangen dat de dynamiek verleent aan de idealiteit en aan alles waarvoor ‘de vrouw’ of ‘het meisje’ zoal moet staan.
- Over de positie van de vrouw in de eeuw van K. (-XIXde) in het nog typische “patriarchaal” georganiseerde huwelijk en maatschappij, met mannelijke dominantie. Maar dat de vrouw meer praktische macht had en de man meer praktische verantwoordelijkheid droeg dan een oppervlakkige kennismaking zou doen vermoeden.
- Over wat het ethische stadium bij K. wel kan zijn. Dat dit niet zo afgetekend is als wel gedacht wordt. Hoe de (ethische) ideeën van Plato, via Kant (onbeweeglijke categorische Imperatieven)) over Hegel (dynamisch geworden, tijdsdimensie aan toegevoegd) Kierkegaard bereiken en hij er geen genoegen mee neemt, evenmin als met het esthetische benaderen van de werkelijkheid. En zo in het “mateloze”, het “grenzeloze” van de religieuze beleving terechtkomt dat alle denken overschrijdt en uitdaagt. Mateloos en grenzeloos in de zin van “niet meer meetbaar of optelbaar”, niet in de zin van het psychogenetische stadium van nog mateloos en onbegrensd dat de baby kent vooraleer aan hem grenzen gesteld werden. Het religieus mateloze (vergelijk dogma) wordt pas bereikt nadat men eerst de psychologische begrenzingen van de aardse omgang aanvaard heeft en alle stadia van ontwikkeling op de levensweg doorlopen heeft.
- En van daar gingen we in op “het kind in ons”, zijn verborgen noden, behoeften en trauma’s vanuit de eerste levensjaren (ouderschapfiguur in ons) die het verdere leven als volwassene bepalen. En hoe we door het kind een Naam te geven, in psychotherapie bvb, dit kind kunnen leren spreken en aanhoren. En het blij maken.
- En hoe Gods Naam niet zozeer mateloos en grenzeloos is, maar onnoembaar. En hoe het willen ‘benoemen’ van God, d.w.z. hem willen ‘bepalen’ eigenlijk blasfemie is.
- En zo kwam van het een het ander.

Verslag Bijeenkomst van 25.04.2008

Aanwezig: Sam Landuyt Noël Melis, Fientje Van Otten, Hedwig Van Damme, Rit Van den Bergh, Aad Van der Perk
Afwezig/ verontschuldigd:, , Jan Gysen, Levi Matuszczak, André Vermaut

We vervolgen onze lezing van Stadia op de Levensweg vanaf pag. 135 tot 147.
De rechter vraagt zich af “hoe zijn vrouw er, na acht jaar huwelijk, er esthetisch beoordeeld, uitziet. Komt dat van altijd ethisch en rechter geweest te zijn? Of is het omdat hij niet naar zijn echtgenote heeft durven kijken “op esthetische wijze”, zoals naar een portret, een beeld? (Misschien was ze wel een ‘goede partij’ voor een rechter, maar niet zo een mooie vrouw? Ook dat dienen we te overwegen…). In alle geval, al is hij blijkbaar geen hofmaker geweest een knorrige criticus als echtgenoot is hij ook niet geworden (een huwelijk met een grondtoon van“muzac in my ears” –Beatles?). Hij is nooit een esthetische “connaisseur” geweest blijkbaar. Hij weet zelfs tot vandaag niet of zijn vrouw slank is. Ze zal misschien van de soort zijn geweest, “welopgevoed en rein, waarmee je dus geen donder kunt beginnen” (Boudewijn De Groot, Erfenis van mijn jeugd).Hij hanteert liever de (levens- en huwelijks)humor dan de kritische, esthetische blik op zijn vrouw. Humor vereist wel reflectie en afstandelijkheid. Is hij wat bang van de ernst van de verliefdheid? Bang van haar “dierlijke ernst”, want inderdaad animaal van oorsprong? Loert de impotentie om de hoek, als hij het al te esthetisch zou maken?. Maar zegt hij, “ze zijn gelukkig getrouwd en hebben dus geen uitgebreide kritische evaluatie van hun huwelijk nodig”. Inderdaad, daar kunnen wij hem bijtreden.
Kierkegaard maakt dan een bemerking die mag tellen. “Het heeft hem altijd verwonderd dat dichters een echtpaar in gesprek nooit op de juiste wijze weten uit te beelden”.Ofwel praten ze als twee verliefden of ze zijn hoogstens bijfiguren en op leeftijd. Een huwelijk moet minstens ongelukkig zijn om voor poëtische uitbeelding in aanmerking te komen. Om poëtisch te zijn (d.i. om voor artistieke uitbeelding in aanmerking te komen) moet een liefdesrelatie (een “verliefdheidsrelatie”?) op zijn minst gelukkig zijn en bedreigd worden van buitenaf en een huwelijk op zijn minst ongelukkig en van binnen uit bedreigd. Maar voor de rechter van K. “moet het een armetierige echtgenoot zijn die door zijn huwelijk geen humorist wordt”. Vraag: en kan de vrouw daar dan ook mee lachen? Hoe zit het trouwens met de emoties, gevoelens en opinies, esthetische, ethische en existentiële, van de (gehuwde) vrouw bij K.? Is dat alleen de achttiende eeuw die maakt dat hij zulke exclusief mannelijke kijk heeft?
Het humoristische wordt gedragen door de zekerheid van het huwelijk, gebaseerd op ervaring (ook op gewoontevorming?) p.140 en op geloof (in haar). Hij heeft “de boekhouding in zijn hoofd”, m.a.w. ze kunnen beiden op elkaar rekenen. Haar schoonheid is dus van een andere orde, geruststellend en niet opwindend. De zalige zekerheid dat morgen alles zal blijken te zijn zoals het gisteren was. Maar kom, laten we wel wezen: wat is daar zo verkeerd aan? “Deze vreugde van de echtgenoot wordt niet verteerd” (p.147), hij dient niet te leven van het brood alleen, maar van de welwillende verwondering waarmee hij de bezigheden van de moeder begeleidt, moederschap dat hij haar volledig en volmondig gunt zonder afgunst of jaloersheid. Het zijn “panis et circenses”voor hem, bescheiden maar zeer echt en betrouwbaar, zoals alle ethische daden kunnen zijn als ze volgehouden gesteld worden doorheen het leven.

S.Landuyt
Volgende bijeenkomst: vrijdag 30 mei 2008 te 16 uur.

Verslag Bijeenkomst van 28.03.2008

Aanwezig: Sam Landuyt Noël Melis, Fientje Van Otten, Chris Vonck
Afwezig/ verontschuldigd: Hedwig Van Damme, Rit Van den Bergh, Aad Van der Perk, Jan Gysen, Levi Matuszczak, André Vermaut

We gaan verder met de lezing van Stadia op de Levensweg. We beslissen om de tekst voortaan tijdens de bijeenkomsten integraal voor te lezen en er onze commentaar te geven. We gaan verder met pag. 116 e.v. K. heeft het daar over het besluit, positief om te huwen of negatief om juist niet te huwen. De redeneringen over het negatieve besluit (p. 117) zijn een stuk falsificatietheorie avant la lettre (Popper). Maar allebei, positief en negatief besluit moeten een echt besluit zijn (een echt ja-woord dus) of het is “loos gebral”. Menselijke existentie vraagt altijd om een besluit. Maar dan een echt en geen naäperij. (Hoe weet je dat van je zelf en je partner, op het cruciale moment??) Het positieve besluit consolideert het bestaan, het negatieve houdt het “in suspenso”en blijft altijd dubbelzinnig. K. Gaat dan verder – hij is filosoof voor iets - met een ragfijne dissectie van wat er allemaal in deze twee soorten besluitvorming bevat is. En hij stelt dat juist het huwelijk – het positieve besluit - de synthese is van verliefdheid en besluit. Verliefdheid behoort als dusdanig voor hem nog tot het “esthetische”. Door het besluit wordt het echter een ethische zaak. Niet het resultaat echter (“een drogbeeld” zegt K.) is belangrijk maar de positie in het besluit tegenover de eeuwigheid, wezenlijkheid, God: al een verwijzing van uit het ethische naar het religieuze / exisstentiële. Het deciderende is het ethische, is de vrijheid. Het “moeten”, de plicht (gebod van de Liefde; zie Daden van Liefde) hoort bij het ethische. Het negatieve besluit heeft enkel betrekking op het eeuwige, het positieve op het tijdelijke en het eeuwige. Het is rijker. Het is een besluit- idealiteit die gesigneerd is (in het eeuwige) en gecontrasigneerd is (in het tijdelijke). En bovendien moet het even sympathetisch zijn als autopathisch. De dauw moet de bloem bereiken en te verkwikken en niet zo maar verdampen. Het besluit moet zijn doel (gelegen in de realisatie van het huwelijk in het leven) bereiken. Een expressie die niet uitmondt in haar doel blijft immers puur esthetisch. En zo komt K. uiteindelijk tot drie spanningsvelden in het besluit van te huwen: tussen tijdelijke en eeuwige, tussen het concrete en abstracte, tussen de vrijheid en het lot (p. 123 - 125).Op pag. 127 komt hij er dan toe, op bedekt ironische wijze gezegd in de taal van de rechter, allerlei eigenschappen van het (ethische) huwelijk op te sommen die hij in feite misprijst. Het is heilig en burgerlijk, het is poëtisch, plechtig, het is er altijd kerkdienst, het is grappig in wat het niet inlost van alles wat de verliefdheid aan beloftes inhield. Het is alledaags enz. Volgen dan nog een hele reeks “bedenkingen” (p. 128 - 135) die niet zoveel meer aanbrengen dan er al gezegd werd.

Verslag Bijeenkomst 26.01.2008

Aanwezig: Sam Landuyt, Noël Melis, Hedwig Van Damme, Rit Van den Bergh, Aad Van der Perk, Fientje Van Otten, Chris Vonck
Afwezig en verontschuldigd: Jan Gysen, Levi Matuszczak, Bavo Van Eesbroeck, André Vermaut,

We beëindigen de lezing van het eerste deel van Stadia op de Levensweg (het Gastmaal), met een terugblik op het voorwoord door de vertaler Scholtens.

Het gedeelte dat het gastmaal besluit is het verhaal van de ontmoeting in de prille ochtend door de ondertussen goed dronken bende met de aanblik (meer is het niet dat ze ‘ontmoeten’) het tafereel van de rechter en zijn vrouw in hun prieeltje. Symbool van het harmonieuze huwelijksgeluk? De rechter opent hen het perspectief naar het ethische stadium voor deze aan zichzelf en de wijn dronken geraakte jongemannen, stuk voor stuk de uitbeelding van een (esthetische) subpersoonlijkheid van K. Na deze menigvuldige en theatrale mislukking van het esthetische, in al zijn poehah gebracht door deze gefrustreerde ijdeltuiten, ontnuchteren ze zowaar wat bij het bespieden van de al vroeg ontwaakte rechter en zijn (liefdevol - onderdanige?) echtgenote. Het gesprek dat ze afluisteren toont al onmiddellijk een heel ander beeld van het huwelijk - de ethische ernst van de verliefdheid die liefde geworden is - dan wat ze zelf in hun onvruchtbare grootspraak aan mekaar voorgehouden hebben.

Met de rechter en zijn vrouw doet het ethische stadium van de filosofie zijn intrede. Zie ook de conflictstof ervan in Of / OF van K.

Waarom al die types geschetst werden?
De estheet kent de ironie en het niet – kiezen als levensmotto (behalve de egotripperij en het achterna lopen van het genieten in al zijn onmiddellijkheid en vluchtigheid tevens, vandaar de ironie en de zelfspot, als het al zover komt. De estheet is een draaitol en komt in de verveling terecht van de eeuwige herhaling en dat leidt dan tot vertwijfeling. De kort durende maar frequente herhalingen komen voort uit het ontstaan van obsessioneel gedrag (Wiederholungszwang – Freud) dat zelf het gevolg is van de mislukking door het niet – kiezen. Wat eigenlijk betekent niet meer verder willen gaan op de stadia van de levensweg.

De ethicus of het ethische stadium zal de wereld - zijn wereld - willen harmoniseren. Dit is zijn optie, zo niet zijn keuze. Bij K. is het ethische meteen ook een protest tegen de burger en de burgerij van zijn omgeving, tegen de schijnbaarheid van de ethische keuze en tegen de afwezigheid van de echte religiositeit die uit de uiteindelijke onvoldaanheid van de ethische keuze groeit, als ultieme opdracht en levensbeweging.

We vervolgen de lezing van Stadia op de Levensweg op de volgende bijeenkomst op vrijdag 29 februari a.s. te 16 uur.

S. Landuyt

dinsdag, januari 22, 2008

Bijeenkomst van 21.12.2007

verslag van de bijeenkomst van 21.12.2007

Aanwezig: Sam Landuyt, Noël Melis, Fientje Van Otten, Chris Vonck
Afwezig en verontschuldigd: Jan Gysen, Levi Matuszczak, Hedwig Van Damme, Rit Vandenbergh, Aad Van der Perk, Bavo Van Eesbeeck, André Vermaut.

We bespreken “Le couturier” blz. 72 – 79 van S. Kierkegaard’s In Vino Veritas. Nergens wordt het primaire narcisme van de vrouw zo cynisch en schaamteloos misbruikt en te gelde gemaakt als in de modewereld. Nergens lopen ook zoveel mannelijke narcisten rond als in die wereld. De modeontwerper, de modeverkoper mag de vrouw héél dicht benaderen, hij mag ze van kop tot teen meten, passen en begluren, alleen moet hij dat doen binnen de strikte rituelen van de modemaker én van de commercie. En die sluiten elke echte erotiek en zeker elke seksuele benadering volkomen uit. Wie deze ‘heilige’ taboeregels doorbreekt begaat een ‘doodzonde’ tegen de commercie én tegen de sekse. Hij kan dan overigens beter zijn zaak sluiten. De “couturier” is niet “de cavalier” die galanterie ten toon spreidt zoals geen ander haantjesgedrag. Hij is niet erotisch bezig met zijn object, alleen esthetisch en… hij is spinnijdig afgunstig op de echte cavalier. In feite heeft hij hier veel weg van de castraat: hij moet zich gedragen als een castraat om binnen de strikte rituelen zo dicht zijn object te mogen benaderen. Zijn vrouw thuis of achter het atelier in haar keuken zal ‘hare vent’ terzake ook wel kennen en… is er doodgerust in. Hij werkt deze frustratie uit op de modegeile cliënte door zijn dedain, zijn cynisme, zijn afgunstig misprijzen voor haar. Ze zouden het eens moeten weten, de mannequins en de goed geklede dames. Het is voorlopig onduidelijk of Kierkegaard hier zichzelf uitbeeldt en zichzelf dus ‘doorheeft’ in zijn mislukkingen als man en als liefdespartner. Zoniet, dan is hij een tragische komiek of liever een ‘armzalig manneke’ (inderdaad, een mannequin). Een filosoof die mislukt in het liefdesleven, ja wellicht is dat echt iets heel armzaligs om te zien en mee te maken. Hopelijk is het allemaal maar “gespeeld” ‘en ook bij de rest van de drinkebroers in het Kopenhaagse Symposion van toen.
Een citaat wil ik u niet onthouden. In zijn onnavolgbare stijl laat K. de couturier zijn cliënte beschrijven. Als die dames ook maar een flauw vermoeden zouden hebben van hoe hij – de couturier – over hen denkt en over het soort van ‘christelijk belijden’ dat er mee gepaard gaat, dan zetten ze geen voet meer in zijn boutique. Ik citeer: “Van mijn boutique is naar de voorname wereld de boodschap uitgegaan voor alle gedistingeerde dames, dat de mode het gebruik voorschrijft van een apart soort hoofdtooi voor wanneer men ter kerke gaat en dat die hoofdtooi weer dient te variëren al naar gelang de draagster zich naar de ochtend- dan wel naar de avonddienst begeeft. Als dan de klokken beieren houdt de equipage stil voor mijn deur. Hare genade stijgt uit (want ook dit is kond gedaan, dat niemand deze hoofdtooi goed kan installeren behalve ik, de couturier). Ik stort mij haar tegemoet met diepe buigingen en leid haar mijn kabinet binnen; terwijl ze mij willoos laat begaan breng ik alles orde. Ze is klaar, ze heeft zich in de spiegel bekeken; gezwind als een bode der goden ijl ik haar vooruit, heb de deur van het kabinet geopend en buig, spoed mij naar de voordeur, leg mijn arm op mijn borst, gelijk een oriëntaalse slaaf, doch bemoedigd door een genadige knix waag ik het zelfs haar een aanbiddende en bewonderende kushand toe te werpen – ze zit in het rijtuig, zie! ze heeft haar psalmboek vergeten, ik snel naar buiten en reik het haar aan door het raampje, permitteer me haar er nogmaals aan te herinneren haar hoofd ietsje naar rechts te houden en zelf wat aan haar hoofdtooi te schikken, mocht die bij het uitstappen ietwat in het ongerede raken. Ze rijdt heen en laat zich stichten.” (p.77)
Volgende vergadering op 25 januari te 16 uur. We bespreken wat we reeds lazen…
Sam Landuyt.

woensdag, januari 02, 2008

NIEUWJAARSWENSEN 2008

Langs deze weg groeten we alle leden en in het bijzonder degenen die momenteel door ziekte verhinderd zijn de bijeenkomsten bij te wonen. We hopen door het verslag enigszins goed te maken wat ze hebben moeten missen. Wij missen hen wel en hopen hen spoedig terug onder ons te hebben! We sturen alvast onze warme hartswensen naar hen allen!

Van harte dus een goed 2008 aan alle leden! En aan alle toevallige lezers van deze Blog. U bent altijd welkom op onze vergaderingen: elke laatste vrijdag van de maand te 16 uur.

We bespreken momenteel: S. Kierkegaard. Deel I van Stadia op de Levensweg:
In vino veritas

Let wel: we bespreken dit, we pratikeren het daar niet zo maar!

Werkgroep Kierkegaard Bijeenkomst van 30.11.2007

Verslag Vergadering

Aanwezig: Sam Landuyt, Noël Melis, Rit Van den Bergh, Bavo Van Eesbeeck, Fientje Van Otten, Chris Vonck,
- Afwezig/Verontschuldigd: Jan Gysen, Levi Matuszschak, Aad Van der Perk, André Vermaut, Hedwig Vandamme

We begroeten een nieuw lid van onze werkgroep: Bavo Van Eesbeeck!

Nieuwe Kierkegaarduitgaven:
- S. Kierkegaard: Wat de Liefde doet, vertaling en verklarende noten door Lineke Buijs en Andries Visser, nawoord door Udo Doedens en Pieter Vos, uitgegeven door Damon
- Een passieloze tijd, de actualiteit van K. maatschappijkritiek. Uitgegeven 2006, 143 blz., € 14,90, Ten Have Kampen.

We bespreken de tafelrede van Constantin: pag. 53 tot 62.

Na “de jongeman” komt Constantin aan de beurt, blijkbaar al goed dronken en algeheel vervuld van zichzelf en de vanzelfsprekende superieure idealiteit van de man. De verborgen angst voor de vrouw en haar seksualiteit werd door ‘de jongeman’ nog eerlijk, maar wat bedeesd erkend – hij wilde immers het denken niet verliezen, dat voor hem zijn eeuwig wezen was - zijn phallus, zou de psycho-analist zeggen. Onze ‘ingewijde’ Constantin, blijkbaar een teleurgestelde minnaar vol complexen van gefrustreerde mannelijke trots en superioriteitsfantasieën draait rond de vrouw als een kat rond de hete brei. Ze is volgens hem “een onvoldragen ethische categorie, die alleen kan begrepen worden onder de categorie scherts”. “Het komt de man toe absoluut te zijn (en ‘geheel’ nvdr), absoluut te handelen, het absolute uit te drukken; de vrouw is relationeel bepaald. Tussen twee zo verschillende wezens kan geen ware wisselwerking plaatsvinden” (p. 54). Helaas, de man (“men” – sic!) “mikt op haar als de ethische categorie, men sluit de ogen (in vertrouwen van gekke verliefdheid bvb, maar ook in dagdagelijkse omgang nvdr) men denkt het absolute aan ethische eisen, men denkt de mens, daarop opent men de ogen en vestigt de blik op de deugdzame jonkvrouw… beklemming maakt zich van u meester en ge zegt bij u zelf: ach dit moet een grap zijn” (p. 54). Daar gaat ze… Men heeft haar verkeerdelijk alle idealiteit toegedicht en haar opgeblazen tot bovennatuurlijke proporties die een jongedame van zestien jaren zich maar kan inbeelden te bezitten en floeps, daar staat ze! Al haar idealiteit is illusie. Bovendien is de vrouw in staat om zich voortdurend, binnen de vierentwintig uur in het onschuldigste gebazel te transformeren, ook het tegenovergestelde van wat ze – gemeend dan nog! – gezegd heeft. Van een “beestje met hete pootjes” (G. Gezelle) gesproken. “De man kan er alles bij inschieten want het absolute heeft maar één absolute tegenstelling, te weten gezwets”. Als de man dan door de vrouw bedrogen wordt geldt het: “ voor een man van wie men geest mag eisen geldt: of hij wordt niet jaloers, of hij wordt jaloers en daardoor komisch”. En hoe ernstiger hij dan wordt hoe komischer. Een uitdaging voor de absolute geest dus, zoals hij door de man volgens Constantin op zo absolute wijze vertegenwoordigd wordt.

Volgende bijeenkomst: vrijdag 21 december te 16 uur. We lezen wat de ‘couturier’ en Johannes de Verleider te vertellen hebben en ook de nabeschouwingen, dus tot het einde of van pag.72 tot en met 94.
Denk ook even aan de bijdrage van 15 € over te maken op 001-1364212-80 van de FVG te 2610 Wilrijk. dank bij voorbaat.

Werkgroep Kierkegaard Bijeenkomst van 26.10. 2007

Verslag I. Vergadering (Hedwig Van Damme)

- Aanwezig: Hedwig Vandamme, Rit Van den Bergh, Aad van der Perk, Fientje Van Otten, André Vermaut, Chris Vonck, Noël Melis.
- Afwezig/Verontschuldigd: Jan Gysen, Sam Landuyt, Levi Matuszschak,

Sørens Symposion

Het is een mooie avond voor een gesprek over de liefde, al ontbreekt hier het gastmaal van Kierkegaard of van zijn voorbeeld Plato. We missen enkele deelnemers en onze bezorgdheid gaat vooral uit naar de gezondheid van Levi.

Maar Søren neemt ons mee naar het gastmaal dat, na moeizame voorbereidingen, dan toch doorging. Het wordt een gastmaal waarop geen vrouwen uitgenodigd zijn (en - geloof het of niet - wij konden hiermee instemmen) met vijf deelnemers: Johannes de Verleider, Victor Eremita en Constantin Constantius (heel goeie vrienden van Søren) en verder een mooie, (nog ‘groene’) jonge man en een ‘couturier’ waarvan de namen niet belangrijk zijn. Alles is ‘pico bello’ voorbereid : exquise gerechten, lekkere wijnen, een fonteintje in de achtergrond, heerlijke muziek, sfeervolle verlichting, de verwachtingen zijn zo hoog dat het hele feest wel eens een ‘mooie droom’ had kunnen blijven. Maar nee, het ging door en het gezelschap geniet … Halverwege de maaltijd stelt Constantin voor dat ieder een toespraak zou houden om de maaltijd af te sluiten, maar dat men alleen het woord mocht nemen als men in de juiste sfeer was – een beetje dronken van de wijn, maar ook niet te veel. En het thema zou zijn ‘de liefde’ of de relatie tussen man en vrouw, zonder echter liefdesgeschiedenissen te vertellen.

Liefde dus – en eerst is de jongeman aan het woord, ja, die zonder ervaring. Hij moest over de liefde spreken als een blinde over kleuren, want hij had nog nooit een liefdesgeschiedenis gehad. Is hij – niet gehinderd door enige kennis ter zake – wel de juiste persoon om dit gesprek te openen? Volgens hemzelf wel omdat hij het verschijnsel objectief waargenomen heeft. Al vlug blijkt dat het zowel over verliefdheid als over liefde gaat, het vinden van de ‘andere helft’: Eros, Afrodite, innigheid, oneindigheid, piëteit, streven, aan namen ontbreekt het niet. Toch blijft het onmogelijk de liefde te definiëren, daarvoor is ze te complex, ‘oneindig’ vervolledigt André. Ook al kunnen we dankzij het decor, de muziek en de aanwezigheid van vrienden bij een rijkelijke maaltijd de gewenste sfeer scheppen, onze woorden blijven ontoereikend. “… Beminnen, daarmee correspondeert het beminnenswaardige, en het beminnenswaardige is het onverklaarbare”. En wanneer “de gescheiden helften elkaar hebben gevonden, dan betekent dit dus de volkomen bevrediging en rust, en toch is het gevolg hiervan een nieuw bestaan” zodat er “niets zo vreselijk is als vader te zijn” want “het zijn twee onvergelijkbare zaken: een mens doodslaan en een mens het leven schenken; het eerste beslist over zijn lot alleen voor het tijdelijke, het andere voor de eeuwigheid…” (p.51). Op het einde van zijn toespraak lachte niemand om wat de jonge man zei, wat deze verwonderde, want hijzelf begreep de anderen niet wanneer hij ze over de liefde hoorde praten …

Wij waren in elk geval zo erg geboeid dat wij ons afvroegen wat de andere deelnemers zouden vertellen die na hem aan de beurt waren. Dat zullen wij volgende keer weten want wij lezen verder en luisteren naar Constantin en Victor Eremita, van blz. 53 tot en met blz.72. Veel leesgenot! Volgende bijeenkomst: vrijdag 30 november te 16 uur.

Hedwig Van Damme / Fientje Van Otten.


Verslag II Vergadering ( Rit Vanden Bergh)


Wie ooit het "Symposion" van Plato las, herkent meteen een parallel in de tekst "In vino veritas" van Kierkegaard.: een uitgelezen gastmaal, overeenkomstig alle vereisten van het ideale droombanket en zelfs meer dan dat aangezien de uiteindelijke 'leegte' van een overvloedig eet- en drinkgelag bezworen wordt doordat de deelnemers, vijf in aantal waaronder drie pseudonymen van Kierkegaard, 'de waarheid zoeken in de wijn.'.
Wat betekent dat elk van hen beurtelings verondersteld wordt een toespraak te houden op het moment dat de wijn de tongen losgemaakt heeft en men met gemak prijsgeeft wat men in nuchtere toestand liever voor zich houdt. Het thema bij uitstek is dan ook de liefde of de relatie tussen mannen en vrouwen. Het weze genoteerd dat er geen vrouwen aan de dis werden toegelaten wat bij ons, lezers, tot enkele bedenkingen leidde, met het oog op de 'ideale' feestmaaltijd.
De jongste, anonieme deelnemer krijgt als eerste het woord. Hij doet denken aan een Adonis, een beeldschone jongeling ,maagdelijk puur - en dat blijkt hij ook te zijn! - een jonge intellectueel - niets gaat er boven het denken! - die elke liefdeservaring mist - wat hij zonder meer toegeeft - en waar hij het ook hoopt bij te kunnen laten hoewel hij daarvoor vreest. De liefde immers palmt jezelf of de ander voor je in, en. voordat je het weet is het te laat; je kan de liefde dus maar beter bedenken voordat ze je belachelijk heeft gemaakt. Want 'liefde' is belachelijk, ridicuul, komisch omdat ze tegenstrijdig is en een mens in tegenstrijdigheden verstrikt. Voor het verstand is ze compleet onverstaanbaar, maar wat er precies onverstaanbaar aan is, weet niemand te zeggen. Als begrip betekent 'liefde' niets en toch beweert men dat ze een essentieel element is van het menselijk bestaan, zoniet het summum van wat er menselijk zoal te beleven valt! De liefde is, zo wordt gezegd, de opperste zaligheid, het leven op topniveau, maar men gaat er helaas aan dood, aan de zoveelste ongelukkige liefde! Vraagt men bovendien naar haar object, dan schijnt niemand dit te kennen. Op de vraag wat dan precies beminnenswaardig is blijkt er geen antwoord te zijn. Als Plato het Goede of het Schone als beminnenswaardig suggereert overschrijden we de grens van de erotiek en komen we in etisch-metafysische domeinen terecht. (Zoals bekend was de vrouw voor Plato geen optie, dan nog liever de jonge knapenliefde, zoals dat trouwens de gewoonte was in Griekenland waar de man-vrouw relatie als een louter functionele en daarom secundaire relatie gold).
En stel dat je in het algemeen zou kunnen opperen dat mannen 'vrouwen' beminnen en vice versa dan zit je er nog naast want de liefde werkt exclusief: het gaat om die Ène, en waarom juist die Ène en geen andere is niet te zeggen. Waarom alle mensen trouwens perse willen beminnen en bemind willen worden blijft voor de rede een raadsel. En het ongeluk of het geluk wil dat we als redelijke wezens 'geschapen' zijn en het reflecteren niet kunnen laten. De reflectie is de eeuwige derde; "l'amour se fait toujours ‡ trois" schrijft Marguerite Duras. De vermaledijde derde.
Vanwaar de lust, vanwaar de begeerte? Is ieder mens misschien maar een 'half' mens (cfr. Aristophanes), eeuwig op zoek naar zijn wederhelft? Voor de vrouw is dit zonder meer duidelijk, er valt dan ook niet mee te lachen; de man daarentegen denkt zichelf als een geheel en wanneer hij zichzelf als een helft gedraagt, geeft dit aanleiding tot hilarisch gelach!
Liefde is dus komisch - want het komische heeft in wezen altijd te maken met tegenstrijdigheid en, in de mate dat de liefde je onverhoeds overvalt zonder dat je er aan kan weerstaan - want dingen die je niet kan begrijpen kan je ook niet vermijden omdat je zonder inzicht in de zaak geen enkele strategie kunt uitdenken - is zij in wezen ook tragisch.
Kortom, de liefde is niet wenselijk!
Slechts ÈÈn enkele vorm van liefde is voor de spreker aanvaardbaar, want begrijpelijk: de 'piÎteit' van de zoon ( over vrouwen, zij het meisjes, dochters of moeders wordt er in deze toespraak zeer weinig gezegd!) voor de vader waaraan hij het leven te danken heeft (!). Het leven schenken is de hoogste act in de hiÎrarchie van waarden die een mens kan verrichten en dwingt de ontvanger onvoorwaardelijk in een relatie van eeuwigdurend respect, dankbaarheid en schuld De spreker schijnt hier geen enkel probleem mee te hebben.tot op het moment dat hij zich over een eventueel eigen vaderschap moet uitspreken. Wat wil het zeggen 'vader' te zijn? De tegenstrijdigheden steken opnieuw de kop op, want hoe kan een piÎteitsvolle zoon vader worden en hoe zit het dan met de vader van de zoon die vader wordt? Is het vaderschap slechts inbeelding? Is het de afschuwelijkste van alle gedachten of is het de hoogste levenstaak?
Even maar vrees je als lezer dat de spreker in de grootste verwarring en onzekerheid zijn toespraak zal beÎindigen, maar niets is minder waar. Buitengewoon klaar en helder bekent hij dat 'het eeuwige' in hem niet de liefde maar het denken is . Niets, geen vrouw, moeder of vader zal hem ertoe brengen het denken te verraden.
Is het denken misschien zijn lief? Hoe belachelijk!.

Zeer benieuwd kijken we uit naar de twee volgende toespraken van Constantin Constantinus en Victor Emerita op 30 november om 16u. Tot dan.

Rit Van den Bergh.

maandag, november 05, 2007

Werkgroep Kierkegaard Bijeenkomst van 28.09.2007

Verslag Bijeenkomst


- Aanwezig: André Vermaut, Chris Vonck, Fientje Van Otten, Rit Van den Bergh, Sam Landuyt
- Afwezg: Ad van de Perk, Hewig …, Frans Martens
- Verontschuldigd: Levi Matuszschek, Jan Gysen

We starten dit academisch jaar 2007 – 2008 met de lezing van een nieuw boek van S. Kierkegaard: STADIA OP DE LEVENSWEG Deel I, in Nederlandse vertaling van Jan Marquart Scholtz, met een inleiding door W.R. Scholtens, uitgegeven door Meulenhoff, 1987, gebaseerd op de eerste uitgave in het Deens van 1845. De noten zijn uit Dagboek 1901???

We horen dat een van onze meest toegewijde leden, Levi M. ziek is en we brengen hem onze groeten over en wensen van herstel via een kaartje en tevens ook middels dit verslag. Goed en vlug herstel Levi!, we missen je uitgebreide kennis van onze auteur!

De Inleiding door Hilarius, pseudoniem van Kierkegaard, zo geschreven om de welwillende aandacht van de lezer te krijgen -“Lectori benevolo” – is van een gelijklopend scenario als in Of/Of. Ze is anekdotisch en ook de voetnoten zijn in pseudoniem. K. verbergt hiermee zichzelf een beetje. Waarom? Een beetje pleinvrees of plankenkoorts? De inleiding doet het voorkomen dat een ijverige brave boekbinder het manuscript gekregen en opgeborgen had, of liever het ter instructie van zijn kinderen gebruikte voor het schoonschrift ervan, maar er toch geld en interesse in zag toen een seminarist en candidatus in de filosofie ( K.zelf ?) hem er op attent maakte dat hij daar een heel “voortreffelijk geschenk van de voorzienigheid in huis had”… Zo zie je maar hoe K. het aan boord moest leggen om gelezen te geraken. Of ij ook begrepen werd door de boekbinders en co, daar bleef hij wellicht zijn twijfels over bewaren, zo menen we.

“In vino veritas”, een Herinnering. Naverteld door William Afham (“Doorhem”) Zo begint het eerste deel. En al meteen vooraf een “Voorherinnering” (vóór de herinnering blijkbaar?).
Even taalkundig:
Voorherinnering is Avertissement (Fr.).
Herinneren is: se rappeler, se souvenir (Fr.), remember (Eng) ; Herinnering, Souvenir (Fr.), Rememberance (Eng).
Geheugen is mémoire (Fr.), memory (Eng.)

En dan beginnen we. Net zoals in Daden van Liefde, ons vorige boek, ziet het er naar uit dat K. ons zal confronteren met twee dimensies (of integratieniveaus?) van beleving: de onmiddellijke (instantané), voorbijgaand, tijdstipgebonden (het geheugen van – ) en de “eeuwige”, wezenlijk (herinnering). K. is een fantastisch goede beschrijver (is dat zijn fenomenologie?) en hij zet aan met de beschrijving van wat “een geheim toebereid (toebedeeld, toevertrouwd?) krijgen” zoal meebrengt voor de drager ervan. Dit om het klevende, beklijvende aspect van elke ware herinnering nadien te kunnen aanvatten. Dit tegenover het tijdelijke, accidentele van het geheugenspoor van het gebeurde. Het geheugen is niet meer dan “een voorwaarde van verdwijnende betekenis”. Men kan een voorval tot in de details in zijn geheugen bewaren en oproepen, “zonder dat men zich die gebeurtenis daarom ook herinnert”. De herinnering daarentegen draagt de onsterfelijkheid in zich , in een “uno tenore” van het leven, de eeuwige continuïteit ervan dus. Hij voert het voorbeeld aan van Jacobi, een idealistische filosoof die niet langer dan een moment kon denken aan de onsterfelijkheid zonder het gevaar er bijna gek van te worden. Maar als men geheugen en herinnering met elkaar verwart en de inhoud ervan daardoor verliest, is alles niet meer zo schrikbarend. Vandaar dat zovele er geleerd en zonder moeite over kunnen preken (en filosoferen?. Zonder “Vrees en Beven”? Sneer naar zijn ambtsbroeders op de kansel?

Volgende bijeenkomst: vrijdag 26 Oktober te 16 uur.

DADEN VAN LIEFDE HOE IEDER VAN DE LEDEN VAN DE WERKGROEP DIT BELEEFD HEEFT

Werkgroep Kierkegaard
Academisch Jaar 2006 – 2007

Verslag van de werkzaamheden

De werkgroep Kierkegaard telt een tiental werkende leden en komt elke maand samen van september tot juni. Dit jaar werd verder gegaan met de intensieve lezing van het tweede deel van het werk van S. Kierkegaard: Daden van Liefde, in de Nederlandse vertaling van Maria Veltman, uitgeverij Garant Leuven – Apeldoorn, tweede druk 1996.

We zijn thans op het einde van dit monumentale werk gekomen en hebben elk onze eindbeoordeling aan elkaar voorgelegd.

De verslagen van de werkgroep evenals (binnenkort) de persoonlijke eindevaluatie van ieder lid kan gelezen worden op onze weblog: http://werkgroepkierkegaard.blogspot.com/. Nederlands met een korte Engelse samenvatting.

Het meest boeiende voor ons van deze lezingen was de persoonlijke toets en inzet die geleidelijk aan sterker en duidelijker werd onder de deelnemers. De toetsing van de woorden van K. - “die men staande en luidop moet lezen” volgens de auteur – aan ons persoonlijk leven en werken, maakte duidelijk hoe intens K. de ‘taal van de geest’ (P. 373 Opmerkingen bij Deel II hoofdstuk II) spreekt. Als men zich de moeite geeft om zich door de tekst heen te worstelen (hij is onderhand anderhalve eeuw oud – 1847 - en dat merkt men ook wel af en toe) dan opent zich de hoogte en de diepte, de “eeuwige rijkdom” van de Liefde, zoals Paulus ze in Romeinen 13 verheerlijkt heeft.

K. Is niet erg “in” bij de jonge generaties. Alles gaat blijkbaar met cycli van op en neer, ook het geestesleven en de interesses van het intellect. Toch is wat deze nukkige, wat melancholische Deen ooit staande geschreven heeft, naast zovele andere van zijn uitgaven, fundamenteel “voedsel voor de ziel”, de kern van het christen – zijn zelf. Hij worstelt met de woorden, is nooit helemaal tevreden over wat en hoe hij het zegt, als het maar de juistheid en de waarheid benadert zoals hij ze ongetwijfeld in zijn leven vermoed heeft en trachten te beleven heeft. Geen woorden van of over liefde, geen lyriek of dichterlijke vlagen, maar daden, daden, daden van liefde. Als om de werkelijkheid te benadrukken tegenover de vloed van words, words, words van, toen Hegel en nu de bijna gehele academische pers en wereld.

Sam Landuyt
16 mei 2007

DADEN VAN LIEFDE HOE IEDER VAN DE LEDEN VAN DE WERKGROEP DIT BELEEFD HEEFT

FVG Werkgroep Kierkegaard

Daden Van Liefde
Aad van der Perk: eindnota’s
24. April 2007

Na alle discussies over de Kierkegaardstudie betreffende de “Praktijken van de Liefde” heb ik mij neergezet en alles in alle rust en stilte overwogen.

Ik heb mij ook af en toe eens verdiept in wat andere auteurs er over schreven. O.a. Schweitzer in “Was sollen wir tun” en andere werken van zijn hand.
Treffend is deze uitspraak: Alle geschrijf en gefilosofeer desbetreffende zinkt in het niet bij de actuele daad. Inderdaad!.
Toch ontkomt men niet aan de gedachte: “Waartoe dit alles?” Zoals K. zich ergens afvraagt: “Is er een theologische suspensie van het ethische?” Op zijn Hollands gezegd: een doelgerichte afhankelijkheid?
Daarop zijn al verschillende antwoorden gegeven. De Calvinisten en ook de Moslim zegt: “De Ere Gods” Al hamdu l’illah”. Jezus zegt ergens: “Wat gij de armen gedaan hebt, hebt ge aan mij gedaan”.
Het Middeleeuwse R.K.- christendom dacht met de goede werken de hemel te verdienen. “Als het geld in ’t kistje klinkt, het zieltje in de hemel springt”. Een gedachtegang waartegen Luther en anderen in opstand kwamen.
Zelf denk ik er anders over.
De eeuwige heeft ons eerbetoon niet nodig. Het is geen aardse potentaat uit de oude doos die bewierookt, gevleid wenst te worden. Met “goede werken de hemel verdienen” is een gedachte die inspeelt op het menselijke egoïsme en daarom alleen al afkeurenswaardig. In de Thora komt de tekst voor: “De mens die deze dingen doet, zal door dezelve leven”. Daar zit een kern van waarheid in. In psychologische zin. Weldoen adelt het karakter. Toch is ook dat bijzaak. Persoonlijk welgevallen of teleurstelling mag geen rol spelen.
Centraal dient te staan: de doelgroep, zowel praktisch als theoretisch.
Bij discussies over de organisatie van één of andere Aktie: de doelgroep.
Bij de persoonlijke vraag: waarom doe ik dit of dat?: de doelgroep, om die te helpen.
Bij dagelijkse omgang met mensen en medeschepselen: de doelgroep!

Verder met verstand en overleg te werk gaan. Er moet duidelijk sprake zijn van hulpbehoevendheid. En er moet de praktische mogelijkheid zijn om te helpen.

Verder: oppassen voor misbruik, zoals in het vervolg op het verhaal van de Samaritaan. Toen die een week later die zelfde plek weer passeerde, lagen er 2. Enfin die ook maar geholpen. En een weekje later 5, etc. etc.

Conclusie: Alles wat maar zweemt naar egoïsme: uitbannen!
Een altruïstische geesteshouding cultiveren!
De doelgroep staat centraal.
Elke doelgroep is een doelverzameling en maakt deel uit van de hoofdverzameling: al wat leeft ,al wat bestaat, al het zijnde.

Aad van de Perk

DADEN VAN LIEFDE HOE IEDER VAN DE LEDEN VAN DE WERKGROEP DIT BELEEFD HEEFT

FVG Werkgroep Kierkegaard

Daden van Liefde
Fientje Van Otten: eindnotities
24 april 2007

Toen Levi tijdens vorige bijeenkomst heel laconiek de vraag stelde: hoe zou je dit boek (Daden van Liefde) kunnen samenvatten, wist hij niet hij ons denk- en werkstof bezorgde om ons eigen persoonlijk antwoord te geven op de vraag: Wat boeit je in dit werk? Wat heeft je aangesproken en wat niet?

Voor mij persoonlijk sluit dit aan bij de meer algemene vraag: waarom ik van K. houd? En dat is omdat hij in zijn denken en leven, als mens, als kristen, als filosoof de plaats opzoekt waar tussen God en mens vrijheid ontstaat en deze plaats heet ‘liefde’ (een citaat dat ik ooit in een werk over hem las, ik weer niet meer waar). Dit is de plek waar ik ook zou willen staan en blijven, bij die God van Liefde, die niet voor zichzelf hield, maar alles in liefde gaf… De liefde is slechts wat hij is door er te zijn in U!... Gij die overal aanwezig bent en nooit zonder getuigenis. (Cf. inleidend gebed in dit deel, p. 16).

Het boek omschrijft ‘Daden van Liefde’ als ‘sporen van die God’ die zich kenbaar maakte in de in de tijd gekomen Jezus, die de mens het bestaan van de Geest leerde, (m.a.w. van die Liefde) en wat de mens, die de gestelde hypothese aanvaardt, op zich neemt en kan verwachten.

In deel II dat we dit jaar hebben gelezen worden uitvoerig de onvoorstelbare mogelijkheden van de liefde bezongen, zoals bij Paulus in zijn Corinthiënbrief, maar hier in 10 hoofdstukken. Ik heb de indruk dat het eerste hoofdstuk eigenlijk alles draagt:

De liefde bouwt op…

K. noemt het ‘de overdrachtelijke wekker en bewerker van werkelijkheid-die-het-leven-is. Liefde geeft structuur, is dragende kracht, bron van licht en leven, steeds positief. Het negatieve is haar vreemd… de overige beschrijvingen geven hieromtrent meer verduidelijking wanneer hij zegt:

Liefde gelooft alles
Als tegengesteld aan wantrouwen
Liefde hoopt alles
Als tegengesteld aan ‘wanhoop’ en ‘vertwijfeling’
Liefde zoekt niet zichzelf
Is gericht op de andere,n waarbij ‘mijn en dijn’ wordt opgeheven, opgetild in de ware liefde die God is.
Liefde bedekt een menigte van zonden
Is geduldig, vergevingsgezin, niet uit naïviteit of lafheid, maar als uiting van inzicht in de aard van zonde en zondaar
Liefde blijft
Haar bron droogt nooit op en draagt het gehele bestaan

Dat zijn wat mij betreft, de voornaamste bakens die K. uitzet: de overige hoofdstukken – bvb dat je de doden moet gedenken, dat ‘barmhartigheid’ ook verwacht wordt als je niets te geven hebt, zijn verduidelijkingen.

Waar het eigenlijk op aankomt – en dat staat verscholenb oop pag. 362, zo ergens tussenin – ‘je in alles verhouden tot God’, wat de Latijnen noemden “coram Dei” – voor Gods Aanschijn, in Zijn Tegenwoordigheid. En zo ben ik dan weer op de plek beland waar ik zou willen staan en waar ik in het begin over sprak.

Dat was voor mij, heel in het kort, de lectuur van ‘Daden van Liefde’.

Fientje Van Otten

DADEN VAN LIEFDE HOE IEDER VAN DE LEDEN VAN DE WERKGROEP DIT BELEEFD HEEFT

FVG Werkgroep Soren Kierkegaard

Daden van Liefde

Hedwig Van Damme: Persoonlijke Samenvatting

Een vraag van Levi Matuszczack: hoe zou je op één pagina voor jezelf de betekenis van dit werk van S. Kierkegaard noteren?

Hier dus alvast een poging:

K. laat zich de Daden van Liefde inspireren door de bekende passage ‘als ik de liefde niet heb’ uit I Cor. XIII, maar voor het zo ver is cirkelen zijn gedachten om het gebod van de liefde: gij zult uw naaste liefhebben.

Tekenend is de innerlijkheid, het gaat om een geheim, het gebeurt in het diepste van de mens en is niet in woorden te vatten. Toch herkent men de ware ingesteldheid aan de daden, zoals de boom aan de vruchten wordt herkend.

Ter illustratie (2de deel) commentarieert hij uit I Cor. VIII en XIII:
- de liefde bouwt op / de liefde gelooft alles (en wordt toch nooit bedrogen) / de liefde hoopt alles (en wordt toch nooit beschaamd) / de liefde zoekt niet zichzelf / de liefde vergeeft alles / de liefde blijft (ook over de dood heen).

Goddelijke liefde is uit eeuwigheid ontstaan en in eeuwigheid geworteld; ze is zonder de tekortkomingen van de menselijke liefde, die zo vaak vertroebeld wordt door eigenbelang en zelfbedrog, terwijl juist het offer onontbeerlijk is.

K. worstelt duidelijk met het onderwerp. Hij verkondigt geen blijde boodschap waar een vonk van overslaat naar de lezer.
Hij is m.i. niet te benijden met zijn diep, maar zo weinig vreugdevol geloof. Als je hierover nadenkt, is het boek des te waardevoller, als een rusteloos zoeken naar een vertrouwensvolle geloofshouding, met verplaatsing van de kern ervan van het hoofd naar het hart.


Hedwig Van Damme
26. april 2007

DADEN VAN LIEFDE HOE IEDER VAN DE LEDEN VAN DE WERKGROEP DIT BELEEFD HEEFT

FVG Werkgroep Soren Kierkegaard

Daden van Liefde

Hedwig Van Damme: Persoonlijke Samenvatting

Een vraag van Levi Matuszczack: hoe zou je op één pagina voor jezelf de betekenis van dit werk van S. Kierkegaard noteren?

Hier dus alvast een poging:

K. laat zich de Daden van Liefde inspireren door de bekende passage ‘als ik de liefde niet heb’ uit I Cor. XIII, maar voor het zo ver is cirkelen zijn gedachten om het gebod van de liefde: gij zult uw naaste liefhebben.

Tekenend is de innerlijkheid, het gaat om een geheim, het gebeurt in het diepste van de mens en is niet in woorden te vatten. Toch herkent men de ware ingesteldheid aan de daden, zoals de boom aan de vruchten wordt herkend.

Ter illustratie (2de deel) commentarieert hij uit I Cor. VIII en XIII:
- de liefde bouwt op / de liefde gelooft alles (en wordt toch nooit bedrogen) / de liefde hoopt alles (en wordt toch nooit beschaamd) / de liefde zoekt niet zichzelf / de liefde vergeeft alles / de liefde blijft (ook over de dood heen).

Goddelijke liefde is uit eeuwigheid ontstaan en in eeuwigheid geworteld; ze is zonder de tekortkomingen van de menselijke liefde, die zo vaak vertroebeld wordt door eigenbelang en zelfbedrog, terwijl juist het offer onontbeerlijk is.

K. worstelt duidelijk met het onderwerp. Hij verkondigt geen blijde boodschap waar een vonk van overslaat naar de lezer.
Hij is m.i. niet te benijden met zijn diep, maar zo weinig vreugdevol geloof. Als je hierover nadenkt, is het boek des te waardevoller, als een rusteloos zoeken naar een vertrouwensvolle geloofshouding, met verplaatsing van de kern ervan van het hoofd naar het hart.


Hedwig Van Damme
26. april 2007

DADEN VAN LIEFDE HOE IEDER VAN DE LEDEN VAN DE WERKGROEP DIT BELEEFD HEEFT

Nabeschouwingen, onderweg van Genk naar Antwerpen en omgekeerd, over ‘DADEN van LIEFDE’ van Søren Kierkegaard

Levi Matuszczack - Jan Gysen - Genk

Kierkegaard - Werkgroep - FVG te Antwerpen. (27.04.07)
In daden van liefde inspireert Søren Kierkegaard zich vooral aan Paulus en zijn Hooglied van de liefde.
1 Korinthiërs 131 Al ware het, dat ik de talen der mensen en der engelen sprak, en de liefde niet had, zo ware ik een klinkend metaal, of luidende schel geworden.
2 En al ware het dat ik de gave der profetie had, en wist al de verborgenheden en al de wetenschap; en al ware het, dat ik al het geloof had, zodat ik bergen verzette, en de liefde niet had, zo ware ik niets.
3 En al ware het, dat ik al mijn goederen tot onderhoud der armen uitdeelde, en al ware het, dat ik mijn lichaam overgaf, opdat ik verbrand zou worden, en had de liefde niet, zo zou het mij geen nuttigheid geven.
4 De liefde is lankmoedig, zij is goedertieren; de liefde is niet afgunstig; de liefde handelt niet lichtvaardiglijk, zij is niet opgeblazen;
5 Zij handelt niet ongeschiktelijk, zij zoekt zichzelve niet, zij wordt niet verbitterd, zij denkt geen kwaad;
6 Zij verblijdt zich niet in de ongerechtigheid, maar zij verblijdt zich in de waarheid;
7 Zij bedekt alle dingen, zij gelooft alle dingen, zij hoopt alle dingen, zij verdraagt alle dingen.
8 De liefde vergaat nimmermeer; maar hetzij profetieën, zij zullen te niet gedaan worden; hetzij talen, zij zullen ophouden; hetzij kennis, zij zal te niet gedaan worden.
9 Want wij kennen ten dele, en wij profeteren ten dele;
10 Doch wanneer het volmaakte zal gekomen zijn, dan zal hetgeen ten dele is, te niet gedaan worden.
11 Toen ik een kind was, sprak ik als een kind, was ik gezind als een kind, overlegde ik als een kind; maar wanneer ik een man geworden ben, zo heb ik te niet gedaan hetgeen eens kinds was.
12 Want wij zien nu door een spiegel in een duistere rede, maar alsdan zullen wij zien aangezicht tot aangezicht; nu ken ik ten dele, maar alsdan zal ik kennen, gelijk ook ik gekend ben.
13 En nu blijft geloof, hoop en liefde, deze drie; doch de meeste van deze is de liefde.

Volgens Kierkegaard is liefde concreet en gecon-centreerd op de persoon. Daardoor is hij nu nog actueel en laat hij ons inzien dat wij niet moeten vluchten in abstracte vage gevoelens die zelfs kunnen leiden tot extreem nationalisme, overdreven vader-landsliefde en ziekelijk racisme.
In zijn ‘Daden van liefde’ zoekt hij naar plaats waar de mens God kan ontmoeten. Naar die plaats wordt men gedreven door een intens verlangen naar volheid van zijn, bewustzijn en vreugde. Van dat verlangen vinden we een glimp terug in de Bhagavid-Gita 11,31. in Ps. 63. 1-4 en later bij Indische schrijvers als Kabir en later Tagore.

Bhagavid-Gita 11.31

O Grote Heer,
Onbegrjpelijk en onvatbaar,
laat me weten, wie Je bent.
Kom tot mij,
Die U voor alles zoekt
En Je bedoeling weten wil.
Ps. 63. 1-4

God, mijn God, naar U blijf ik zoeken,
Mijn ziel dorst van verlangen naar U;
al wat ik ben, smacht naar U
in een troosteloos, dor land zonder water.

Een gedicht van Kabir

Zoek je naar mij ?
Ik zit in de volgende zetel.Met Mijn schouder tegen de jouwe.Je zult mij niet vinden in de stupa’s,
niet in de Indische heiligdommen,noch in synagogen, noch in kathedralen :niet in de massa’s, noch tussen de benengedraaid rond jouw nek,
noch in het groentedieet.Ben je echt op zoek naar mij,
dan kun je mij ogenblikkelijk zien-je kunt mij vinden
in het nietigste huisje van de tijd.
Kabir zegt :

Zoeker, zeg eens, wat is God ?Hij is de adem in de adem.

Een gedicht van Tagore

Houd op met dit zeurend zingen.
Uw geprevel wordt eentonig.
Wie vereert u in die sombere tempelhoek?
Hij die u aanbidt ontwaar ik hier niet.

Maar ga naar het veld, waar de boer ploegt.
Ga waar de wegenbouwers stenen verbrijzelen.
U vindt Hem daar waar het leven hard is,
daar waar men moet werken en zwoegen.

Doe mee. Leg uw gewijde gewaden af,
Aanvaard uw taak en doe wat moet.
U wilt vrijheid? Welke vrijheid? Waar?
Zie hoe onze Meester met zijn werk verbonden is!
Heel zijn grootse schepping is niets anders dan
een spel van voortdurende bevrijding.

Houd op met denken en dralen.
Laat al die bloemenoffers.
Trek uw werkkleding aan
En aanvaard uw eigen taak.

Dan pas wordt u een met Hem,
zoals een druppel water
volledig wordt opgenomen
in die oneindige schepping.

Eenmaal God gevonden is de weg naar de naaste getekend.
"Meester, wat is het grootste gebod in de wet?’ Hij antwoordde: ‘Heb de Heer, uw God, lief met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand. Dat is het grootste en eerste gebod. Het tweede is daaraan gelijk: heb uw naaste lief als uzelf. Deze twee geboden zijn de grondslag van alles wat er in de Wet en de Profeten staat.’" (Matteüs 22:36-40).
De man van Nazareth kwam alles een beetje eenvoudiger maken. De eerste vier geboden liggen vervat in: Heb de Heer, uw God, lief met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand." Daarna worden de laatste zes geboden in de rest van de uitspraak samengevat: "heb uw naaste lief als uzelf."
De liefde, als daad, schept ruimte. Waardoor we een zekere vrijheid ervaren. een existentieel-ethische analyse in een religieus proces kan ons de concrete werkelijkheid van een christelijke liefde verhelderen. En Kierkegaard wil dat voor ons doen. Hoofdthema van Daden van liefde is de christelijke naastenliefde die bouwt op het gebod: ‘Gij zult uw naaste beminnen als uzelf’. En dit is toch erg moeilijk in een verburgerlijkte maatschappij. Hij laat ons ook aanvoelen dat de goddelijke liefde de menselijke voorafgaat.

Als hij spreekt over zijn naaste liefhebben als zichzelf dan wijst hij er op dat wij op de juiste wijze ook onszelf moeten liefhebben. Op die wijze wordt de christelijke liefde de volkomen vervulling van de menselijke existentie. ‘Heb uw naaste lief als uzelf.’:is een opgave die bij ieder mens opnieuw begint.In die zin kunnen we de volgende citaten van hem ook begrijpen.
a Het christendom is geen leer, maar bestaansmededeling. Daarom begint het elke generatie weer opnieuw. Al die geleerdheid van vorige generaties is eigenlijk overbodig. Zij is wel niet te versmaden als zij zichzelf en haar grenzen kent, maar ze wordt gevaarlijk als dat niet het geval is.
a Het christendom heeft elke generatie weer iemand nodig die onvoorwaardelijk en radicaal uitspreekt wat het christelijke is. Als het dan zijn lot wordt door alle dominees te worden uitgelachen en gehoond, dan staat vast dat heel die christenheid louter inbeelding is.
Liefde is concreet. En als je die geboden volbrengt zul je leven. We moeten God boven alles liefhebben, maar die liefde tot God blijft toch gelijkwaardig aan de naastenliefde en de liefde tot zichzelf. Het onderscheid zit niet in de wijze van liefhebben, wel in het subject dat we moeten liefhebben. De liefde van en tot God prevaleert steeds over de naastenliefde en de liefde tot zichzelf, omdat de liefde van God tot de mens het eerst is. “God heeft ons het eerst liefgehad” (1 Joh. 4, 10).

Johannes zegt verder in zijn brief dat de liefde tot God onwillekeurig ook liefde tot de naaste tot gevolg heeft, zoniet is de liefde tot God geveinsd. “Als iemand zegt dat hij God liefheeft, terwijl hij zijn broeder haat, hij is een leugenaar. Want als hij zijn broeder die hij ziet niet liefheeft, kan hij God niet liefhebben die hij nooit heeft gezien. Dit gebod hebben we dan ook van Hem gekregen: wie God liefheeft moet ook zijn broeder liefhebben” (1 Joh. 20-21).


‘Socrates in Kopenhagen’

Hoera, ik mag weer terug naar Socrates!
Ik weet zeker dat ik niets zeker weet, is zijn les
Ook jij, lieve Søren, wilde ons wakker schudden
Los moesten we, weg van de christelijke kudde

Het gaat niet langer om dé waarheid of hét leven
We hoeven niets meer om standaarden te geven
Het gaat om wat ik doe met mijn leven en wat ik vind
Een enkeling ben ik, die zich op mij voor God bezint

De onzekere en labiele basis van mijn existentiële zijn
De absurditeit, angst, schuld en allerlei pijn
De spiegel die je voorhoudt en ook mij leert
“wanneer een aap erin kijkt, geen apostel reflecteert”

Ik ben verantwoordelijk voor mijn bestaan, helder en concreet
Mét de zekerheid van het weten dat ik (gelukkig!) niets zeker weet
Bestaan doorregen van denken en niets dat er zweeft
Het bestaan kan niet worden gedacht. Het moet worden geleefd! (onbekend)





Verschijnt oktober 2007
Wat de liefde doet.
Søren Kierkegaard
Een aantal christelijke overwegingen in de vorm van toespraken.
Vertaald door Lineke Buijs en Andries Visser
Ieder mens heeft behoefte aan liefde; aan geliefd te zijn en lief te hebben. Wie het spoor van de liefde zoekt, vindt in Søren Kierkegaards Wat de liefde doet een rijkdom aan inspirerende en opbouwende gedachten.
Kierkegaard ziet liefhebben als een vermogen dat ieder mens bezit. Tegelijk is liefhebben een opdracht. In het eerste deel van het boek staat hij stil bij de oorsprong en het wezen van de liefde, maar dan wel met het oog op wat de liefde doet. In deel twee stelt hij allerlei eigenschappen van de liefde in het dagelijks leven aan de orde: liefde heeft verwachtingen, zoekt vertrouwen, heeft altijd weer hoop en zoekt in uitzichtloze situaties een begaanbare weg.
Kierkegaard prijst de weg van de liefde aan als een menselijke weg: "Wie kunst en wetenschap aanprijst, verdeelt de mensen in begaafden en nietbegaafden; wie de liefde aanprijst maakt allen gelijk." De liefde komt in dit boek zo praktisch aan de orde dat lezen en herlezen een aanrader is voor elke liefhebber. Op de vraag wat liefde is, zal een antwoord dat voldoet niet te geven zijn. Op de vraag wat liefde doet, volgt werk voor een heel leven. Vanuit dit onderscheid schreef de filosoof en theoloog Kierkegaard zijn boek. En ziet hij kans het genoemde onderscheid op te heffen: "Wat de liefde doet, dat is ze, en wat ze is, dat doet ze."
Redactie Søren Kierkegaard Werken: Paul Cruysberghs, Udo Doedens, Frits Florin, Johan Taels, Karl Verstrynge, Andries Visser, Pieter Vos, Onno Zijlstra. (Damon)

Soren Aabye Kierkegaard

DADEN VAN LIEFDE

S. Landuyt: algemeen besluit

“Voor het ontwaken van de geest leefde de mens in het tijdelijke; de taal die hij daarbij gebruikte was eenduidig op dit tijdelijke afgestemd. Na het ontwaken van de geest werd de taal niet veranderd, maar dubbelzinnig en zowel gebruikt door de mens die louter in het tijdelijke leeft als door de mens wiens oog gericht staat op het eeuwige”. Deze eenvoudige toelichting van de vertaalster van Kierkegaard’s “Daden van Liefde” bij Hoofdstuk I van Deel II staat daar zo maar en toch vat ze kort en krachtig samen wat de voortdurende tweezinnigheid, twee - duidigheid is van wat Kierkegaard onder liefde, daden van liefde beschrijft, elk hoofdstuk weer. De eerste betekenis is er een van het tijdelijke, het kortzichtige, “dichterlijke”, het momentele. Het representeert iets van wat Kierkegaard elders “het esthetische” stadium zal noemen. Dit is niet wat onder “Het Moment” echter of “De Gebeurtenis” verstaan moet worden; deze horen thuis in de tweede betekeniswereld. Met het gebruik in de tweede betekenis zal K. de eeuwige, werkelijke, de wezenlijke, de in God en in de Godontmoeting aanwezige betekenis beschrijven. Zo staat ook de betekenis van de soms bedenkelijke “liefdadigheid” van de “compassionate society” (de formulering van dit rechtvaardigheidsgevoel is van G.W. Bush) meestal dicht bij de tijdelijke betekenis van het woord, verre van de Daden van Liefde of Liefde in werkelijkheid en in wezen van het Gebod van de Liefde, van de mystieke Liefde, van de “goddelijke deugd” van de Liefde. Men moet inderdaad met dezelfde woorden beschrijven wat de tijdelijke, zeer vergankelijke betekenissen zijn van passionele liefde en van afstandhoudende milddadigheid als degene die men moet gebruiken om de vermogens te beschrijven van de ziel tot beminnen van God en de evenmens. Dit is het soort van liefde die in de ziel neergelegd wordt als een gave van God in Zijn Ontmoeting met de mens, onder de vorm van vermogen tot wezenlijk liefhebben. Liefde dus en Ware Liefde, beperkte liefdadigheid en daden van liefde.

De innerlijke tweespalt die aldus blootgelegd wordt – want zo beschrijft Kierkegaard het voortdurend – wordt wel met veel nadruk gebracht en bijna met minachting voor het tijdelijke in de beleving van de liefde. Alsof ook daarin de Liefdedaad al niet komt kijken! Terwijl dan weer de ware Liefde gebracht wordt in termen van het strenge, onvervreemdbare (exclusieve?) gebod van het Christendom. Jawel, de tijdelijke liefde is zeer eindig en zoals alle eindige biologische gegevens bevat ze de treurnis, zoniet de angst van de aarde. Maar toch is ze niet onwaardig of te minachten. En jawel, de ware Liefde is een gebod, omdat de Liefde niet (meer) vanzelfsprekend is voor de mens in de toestand van verval in het tijdelijke en de aliënatie van zijn zielsvermogens waarin hij door de zondeval geraakt is. Deels vervreemd van God en van het “kindly Light”(Newman) en onmachtig om zich daaruit te verlossen op eigen vermogen of kracht. En hoe meer vervreemd of zelfs verblind het menselijke bewustzijn wordt in zijn geestelijke vermogens - door de actueel bedreven ‘kwade daden’ - hoe meer het verbod “onmenselijk” lijkt, ondoenbaar, onverenigbaar met enig geluk. Inderdaad de tragiek van deze spanningsboog is zichtbaar aangegeven in de mensheid als individu en als gemeenschap der volken. Maar het gebod is een “zoet gebod”, een glijmiddel om de opdracht gemakkelijker te kunnen vervullen en de liefde vooralsnog te bereiken. Gods hand is een liefdevolle en tedere handreiking of vingerwijzing. Er ligt geen toorn of wraak in. En het is reeds gehoord door anderen, ook niet – christenen.

Kierkegaard is kind van zijn tijd. De gehele problematiek van onrecht en onrechtvaardigheid die ons zo welbekend is, blijft hier bij hem onbesproken. Het spanningsveld tussen de “Compassionate Society” die de rijke mens zijn rijkdom zedig laat behouden (anders kon die niet meer geven uit zijn overvloed…) en het ‘gebod van sociale rechtvaardigheid en gelijkwaardigheid van de mensen’ blijft totaal onbesproken. Karl Marx is nog niet gepasseerd.

Voor mij is dit boek een wegwijzer geweest en een geestgenoot. Als ik mezelf innerlijk aanhoor en het innerlijk discours van mijn geest beluister, vind ik in Kierkegaard een vriend en bondgenoot. Maar ik prijs me gelukkig dat ik niet zo droevig gestemd ben als hij toch soms lijkt te zijn.

zondag, mei 20, 2007

Werkgroep Bijeenkomst van 30 maart en 27 april 2007


Kierkegaard Werkgroep - Verslag van de bijeenkomst van 27 april 2007



Aanwezig: Jan Gysen, Sam Landuyt, Levi Matuszczack, Hedwig Van Damme, Rit Vandenbergh, Aad Van der Perk, Fientje Van Otten,, André Vermaut, Chris Vonck,

Verontschuldigd:

Zoals afgesproken hebben we in deze bijeenkomst de leden van de werkgroep elk hun eindevaluatie horen verhalen over het boek Daden van Liefde, waarvan we op deze manier de lezing beëindigen. We geven u integraal de tekst weer van de eerste verslagen.

Levi Matuszczack en Jan Gysen
Hedwig Van Damme
Fientje Van Otten
Sam Landuyt

Volgende vergadering (op 25 mei) komen nog aan beurt

Aad van der Perk
Rit Van den Bergh
Chris Vonck

Deze persoonlijke eindappreciaties en de lijst van publicaties van boeken die ons dit jaar hebben bereikt en waarvan al dan niet een bespreking gemaakt werd, kunt u binnenkort integraal lezen op onze weblog: http://werkgroepkierkegaard.blogspot.com/

Volgende bijeenkomst: vrijdag 25 mei 2007 te 16 uur


Sam Landuyt.


Verslag bijeenkomst 30 maart 2007

Aanwezig: Jan Gysen, Sam Landuyt, Levi Matuszczack, Aad Van der Perk, Hedwig Van Damme, Fientje Van Otten, André Vermaut,

Verontschuldigd: Rit Vandenbergh, Van Gijspe, Chris Vonck,

Met deze vergadering zijn we eindelijk aan het Besluit van Daden van Liefde gekomen en we blikken terug op het boek, terwijl we het besluit doornemen. We maken ook plannen voor de toekomst.

Wat het Besluit zelf betreft en de Verklarende Opmerkingen van de vertaalster achteraf, zien we in dit deeltje alle kenmerken en ook wel ‘zwakke’ kanten van Kierkegaard “als in een notendop” verenigd. Een echt Reformatorisch betoog, geschreven en gedreven door Kierkegaard in zijn ijver voor de waarheid en voor Christus tegelijk. Het is alsof K. zelf wil zeggen met de apostel: “beminden, laat ons elkaar liefhebben” en dan weer terugschrikt (in besef van onze menselijke onmacht, uit christelijke bescheidenheid en schrik voor een dwaalspoor van de overmoed, uit zondebesef?) en haastig terug onderlijnt: “naar christelijk begip is liefhebben een bevel”.

En nu nog één ding, zegt hij dan: houdt het christelijke gelijk om gelijk, het gelijk om gelijk van de eeuwigheid in gedachten”.Een besluit over de strengheid van het bevel van de liefde, ook al heeft het christendom het Joodse oog om oog afgeschaft en het gelijk om gelijk van de eeuwigheid in de plaats gesteld. God als opvoeder met de blik van de vader.

Wij, ‘latijnse’ geesten en vooral wat meer aan onze zintuiglijke genoegens gehechte mensen voelen ons al het hele boek wat ongemakkelijk met die meer Noordelijke? reformatorische? Tjdsgebonden? persoonlijke? kenmerken van strengheid en zachte melancholie op de achtergrond van het boek. Het is zowat het enige waar we echt last mee hadden, zo meen ik toch begrepen te hebben uit onze reacties allerhande. Samen met de worsteling met het tweevoud van betekenis van de begrippen in de taal die Kierkegaard noodgedwongen moet hanteren en waarvan de vertaalster in een Verklarende Opmerking bij hoofdstuk I van Deel II schrijft (pag. 373) over het overdrachtelijke van de woorden: Vóór het ontwaken van de geest, leefde de mens in het tijdelijke; de taal die hij daarbij gebruikte was eenduidig op dit tijdelijke afgestemd. Na het ontweken van de geest wordt de taal niet veranderd, maar dubbelzinnig en zowel gebruikt door de mens die louter in het tijdelijke leeft, als door de mens wiens oog gericht staat op het eeuwige”. Dit in het oog houden voorkomt veel discussie over de betekenis van de woorden bij K. in dit boek (tijdelijke versus eeuwige met name en de verschillende betekenis van de woorden hierbij).
De vraag van Levi: “Hoe zou je dit boek nu kunnen samenvatten?” doet ons besluiten om volgende keer elk, op één bladzijde, onze eigen besluiten aan elkaar voor te leggen.

We denken er aan om vanaf september de gebeden van Kierkegaard als leidraad te nemen en ze meteen telkens te proberen te situeren in zijn leven en zijn ontwikkeling van dat moment.

Volgende bijeenkomst: vrijdag 27 april te 16 uur.

S. Landuyt

dinsdag, maart 20, 2007

Bijeenkomst Werkgroep 23 februari 2007

Werkgroep Kierkegaard - Verslag van de vergadering

Aanwezig: Jan Gysen, Sam Landuyt, Levi Matuszczack, Hedwig Van Damme, Rit Van den Bergh, Aad Van der Perk, Fientje Van Otten, André Vermaut, Chris Vonck.

Zoals afgesproken zou het eens iets anders zijn. Fientje Van Otten had gesuggereerd eens een praktische beleving van ‘Daden van liefde’ voor te stellen aan het ‘Kierkegaard-plenum’. Onder het thema ‘Incredibile India’ zou Dr. Jan Gysen spreken over zijn ‘Institute for Mother and Child’ ‘IIMC’ in Calcutta en Fientje met haar India-sympatisanten zouden commentaar geven bij de NGO’s die ze in januari bezochten in Gujarat.

Het IIMC is gegroeid uit de straaturgentie van Calcutta waar Dr. Jan, samen met het Rode Kruis, the Vivekananda-mission en Mother Teresa aan een straatjongen, Sujit’ de mogelijkheid gaf om arts te worden. Na zijn Indische studies mocht hij vier jaar aan de KUL specialiseren in pediatrie. Daarna vertrok hij terug om bij Mother Teresa te werken om na 2 jaar zijn eigen praktijk te beginnen. Hij startte in zuid-Calcutta in een eenvoudige koeienstal, bouwde met geld in België bijeengekregen, een school en wist na enkele jaren andere jonge dokters aan te trekken om hem te helpen. Het werk breidde zich enorm uit en verschillende dorpen vroegen om hun aanwezigheid. Met de absolute voorwaarde van gelijkheid tussen jongens en meisjes kwamen er in 15 jaar twintig lagere scholen tot stand en 5 medische centra. Jaarlijks worden er 100.000 patiënten verzorgd. Ze betalen inschrijvingsgeld (3 roepies= 3 oude Bfr.) waardoor we naam en plaats weten, maar ze krijgen daarvoor behandeling en medicatie gratis. Het instituut heeft een beheerraad met universiteits-professoren en mensen uit de industrie. Naast medische hulp zijn er uitgebreide sociale voorzieningen, Grameenbank, gratis rechtsbijstand, een Food-processing unit, een snit- en naadafdelingen en een centrum voor opleiding van jonge meisjes tot dorpsverpleging. Dagelijks wordt met 2 ambulancewagens of met een mobiele kliniekbus medische verzorging verleend in verschillende dorpen. Het gebied bestrijkt ongeveer de grootte van de Vlaamse provincies en heeft een bevolking van 8.5 miljoen mensen, hoofdzakelijk Hindoes. Het project wordt deze maand in Australië op de wereldconferentie van NGO’s voorgesteld als ‘modelproject van hedendaagse ontwikkelingshulp’. Dr. Jan die de ontwerper en bezieler van dit project is zal daar samen met Dr. Sujit Brahmochary een uiteenzetting geven. Een bekroning na 25 jaar India-activiteit.

De reportage over de eerste India-ervaring van Fientje en Co was aangenaam. Met een reeks beelden over verschillende NGO’s kwamen we er achter dat projecten vanuit de basis moeten groeien. Zij verbleven in de staat Gujarat waar de roots van Mahatma Gandhi liggen en brachten boeiende taferelen mee van de zoutwinning in de woestijn en het werk aan het spinnewiel. Aan iedere dia hing een oosters verhaal en een westerse verwondering. Het was treffend hoe in ieders beleving een drang naar liefde doorklonk. Ook waren ze te gast bij ‘diamantslijpers’ in opleiding. Ze besloten met enkele mooie en aangename beelden van gelukkige vrouwen die door de werking van de NGO’s hun waardigheid leerde kennen. Dankbaarheid kan zich niet mooier uitdrukken.

‘Daden van liefde’ kreeg met deze beide voorstellingen iets uit de praktijk. Ditmaal geen filosofische benadering maar getuigenissen met een warme hartelijkheid.

Volgende bijeenkomst: vrijdag, 30 maart 2007 om 16 uur – keren we terug naar de filosofische benadering en staat de verdere bespreking van het besluit van het boek Daden van Liefde op het programma.
Sam Landuyt.

Bijeenkomst Werkgroep 26 januari 2007

Werkgroep Kierkegaard - Verslag van januari 2007

Aanwezig: Jan Gysen, Sam Landuyt, Levi Matuszczack, Rit Van den Bergh, Aad Van der Perk, Fientje Van Otten, André Vermaut, Chris Vonck.
Verontschuldigd: Hedwig Van Damme, Marc Goetinck.

Daden van Liefde II, hoofdstuk X - De Liefdedaad om de liefde aan te prijzen
Zelfverloochening naar binnen toe, is waarin de daad van aanprijzen van de liefde moet gebeuren. Het woord zelfverloochening (pag. 338) roept vragen op. Wat staat er precies in het Deens? Het betekent, in de context genomen, wel zo veel als ‘zichzelf niet als het centrum of referentiepunt van de wereld bezien’, afzien van eigen glorie. Toch niet een ziekelijke neurotische negatie van het ik in zijn levensbelangen? Zo moet ook naar buiten toe dit aanprijzen van de liefde in onbaatzuchtigheid gebeuren, het pendant van de zelfverloochening naar de innerlijkheid toe.

K. beklemtoont andermaal de universaliteit van de liefde en haar veeleisendheid, of is het alles eisend, in absolute zin eisend, vandaar het gebod van de liefde? U moet ze allemaal liefhebben, de mensen.? Niet preferentieel één of enkelen of degenen die je bevallen, maar allen, zonder onderscheid. Hoe is dit precies te verstaan bij K. en… bij Christus? “"En iedereen die zijn huis, broers of zussen, vader of moeder, vrouw, kinderen of akkers heeft prijsgegeven om mijn Naam, zal het honderdvoudig terugkrijgen en eeuwig leven ontvangen" (Mt. 19,29 en Mk. 10, 29, Lk.18, 29) . Is dit een typisch joods – christelijke benadering - bvb niet zo geformuleerd in de hindoewijsheid - in de context van zondeval en verlossing? Wat is “de zelfzucht van de menselijke geest die moet gebroken worden wil men de ware verhouding tot God winnen”? (pag. 339). Of is liefde ingebouwd, als overal aanwezige mogelijkheid, in het leven zelf en in het bijzonder in de levende mens? En staat dan het gebod van de liefde als waarborg tegenover het feit dat liefhebben, daden van liefde stellen niet ‘vanzelfsprekend’ is voor de mens en door hem / haar moet gewild worden? “Wie wil liefhebben wordt het gegeven”

De bespreking wordt zoals steeds geanimeerd, de tekstkritiek wordt verlaten en er wordt meer geput uit eigen belevingen en ervaringen. Dit is meestal het interessantste deel van onze bijeenkomsten, zij het wel het minst filosofisch - rationele deel. Maar we delen onder elkaar onze bijzondere en eigen wijze van liefhebben, van liefde ervaren en beschrijven en ook dat is “aanprijzen van de liefde”.

Volgende bijeenkomst: 23 februari te 16 uur
wijken we even af van het klassiek patroon. Het project van Dr. Jan Gysen in India, waarover hij ons een aantal maanden geleden sprak, is bekroond door Unesco en in maart as. is hij uitgenodigd om dit in Maleisië te gaan voorstellen. Wat bij ons de vraag deed rijzen: als Dr. Gysen ons hiervan nu eens de primeur zou geven en deze ‘concrete’ daden van liefde in de bijeenkomst van februari zou voorstellen. Waarop Fientje Van Otten, pas terug van India, meer bepaald Gujarat, - waar ze ook bijna elke dag geconfronteerd werden met dergelijke ‘concrete’ daden van liefde – voorstelde ook hun ervaringen hieraan te koppelen en de bijeenkomst februari helemaal te wijden aan deze ‘concrete’ daden van liefde, met de nodige fotodocumentatie en toelichting van enkele medereizigers. Voor de vergadering van maart staat dan de bespreking van het besluit van het boek Daden van Liefde op het programma.


S. Landuyt

zondag, januari 07, 2007

Bijeenkomst Werkgroep Kierkegaard 23 December 2006

Verslag Bijeenkomst

Aanwezig: Jan Gysen, Sam Landuyt, Levi Matuszczack Hedwig Van Damme, Rit Van den Bergh, Fientje Van Otten, André Vermaut, Chris Vonck. Van Gijspen, Aad Van der Perk


Daden van Liefde II Hoofdstuk IX
De Liefdedaad een Afgestorvene te gedenken (p. 325 – 336)

Boekbespreking: Hans van Munster, Wijsheid van Kierkegaard, Lannoo, 365 teksten verzameld en vertaald door H.v.M. Bespreking volgt

Dit hoofdstuk valt stilistisch uit de toon: het is meer litterair, scherpzinniger, ironischer dan de andere. Kierkegaard - de depressievelling? - had iets bijzonders met de dood. “Kierkegaard” of “Kerkhofs””, what is in a name? “Zo is de dood de meest beknopte samenvatting van het leven of het leven tot zijn kleinste gedaante teruggevoerd” (pag. 325). Knap gezegd. “Ja, ga eens naar de doden om daar zicht op het leven te krijgen” (pag. 325). Maar is het wel waar allemaal, wat K. beweert, de onveranderbare onveranderlijkheid van de afgestorvene in onze herinnering?

Het werd in elk geval een boeiende, emotievolle en sfeervolle kerstvergadering. Levi vertelt over zijn reizen naar Denemarken en bezoeken aan het graf van K. (familiegraf) en van Regina O. (1904) De grafteksten worden geciteerd. De familiestrijd, o.m. tussen de broers K. wordt opgehaald. Graven, familiegraven, verraden stilzwijgend veel over de geschiedenis van de overledenen. Maar dat had K. het niet zo zeer over. Of toch?

De dode verandert wel! (Rit)
Er wordt door de aanwezigen herinnerd aan hoe zij in de momenten van de dood (steeds van de andere!) in deze ‘andere’ bewustzijnstoestand van ernst kwamen, hoe zij bij de stervende het leven zagen wegvloeien, hoe men nog met de pas afgestorvene kan spreken, hoe men er dient mee te spreken, op dat moment en ook later. Spreekt men dan, innerlijk, alleen met de ‘geheugendepots” die als virtuele grafsteen van de afgestorvene aanwezig zijn in ons brein? Of is er reëel contact mogelijk met de afgestorvene. Is hij/zij veranderd en bereikbaar. Illusie of werkelijkheid?

Omdat het geheugen over de dode vanaf het overlijden niet meer aangevuld wordt, wil dat nog niet zeggen dat de dode en het geheugen ervan in ons onveranderlijk en onveranderd blijft. Integendeel treedt er, met de jaren, verandering in, een rijping, katarsis, het kan van alles zijn. Al is de omgang met de doden voor velen alleen een omgang met de herinnering aan de dode, toch verandert juist die herinnering heel sterk, naarmate men met de afgestorvene omgaat, in een inderdaad steeds ernstige relatie. K. drukt die ernst uit door er op te wijzen dat in de dood “iedereen bijna gelijk is” Een mens, herleid tot zijn wezenlijkheid. Gelijk, (en ook gelijkwaardig?) op de grootte van de grafsteen te na. Inderdaad, er is niets zo ernstig als de koning die zonder kleren is. Er is niets dat zo eloquent is als de dode die zwijgt.

Het gaat hier dus ultiem over de ernst waarin we met de doden spreken of de dood ontmoeten in anderen en, ooit, in onszelf. En het gaat over de liefde-in-ernst die we de afgestorvene te bieden hebben.

We gedenken zelfs Roger D. S., ons afgestorven medelid, nu al meer dan twee jaar geleden. Hij was er bij, op een charmante, subtiele wijze, op dit bijzonder kerstfeest anno 2006, in ons gemoed opgeroepen door Andrè V.

Volgende bijeenkomst: vrijdag 26 januari 16 uur.

S.Landuyt

Bijeenkomst Werkgroep 24 November 2006

Werkgroep Kierkegaard – verslag van 24 November 2006

Aanwezig: Jan Gysen, Sam Landuyt, Levi Matuszczack Hedwig Van Damme, Rit Van den Bergh, Fientje Van Otten, André Vermaut, Chris Vonck. Van Gijspen

Verontschuldigd: Aad Van der Perk


Daden van Liefde Deeel II, VIII: De Overwinning van de Vergevingsgezindheid in Liefde, waardoor de Overwonnene gewonnen wordt (pag 313 – 323)

Kierkegaard gebruikt in elk hoofdstuk ongeveer dezelfde opbouw en structuur, telkens toegepast op een specifiek aspect van de Daden van Liefde. En het blijkt telkens, volgens velen van ons, een echte worsteling met zichzelf. Omdat hij uiteindelijk de religieuze “sprong” in de existentie niet gewaagd heeft? Omdat zijn uiteindelijk burgerlijke en dus beschermde omgeving hem dit belette, omdat hij te neurotisch was en daardoor teveel bleef hangen in zijn innerlijke problematiek (met de vader, met de autoriteit, met de realisatie van de erotisch – seksuele liefde, met zijn angst en melancholische twijfelzucht?) Of is het ondanks al die belemmeringen dat K. er in toch slaagt een meesterlijke introductie te geven, met multipele toepassingen en invalshoeken van de Daadwerkelijke Liefde? De twee zijn geldig.

Hier, in dit hoofdstuk moet K. het gevoel en de geestelijke hoogmoed vermijden van de tegenstander die kwaad deed “overwonnen te hebben”. Want wie strijdt en de tegenstander volledig overwint heeft wel een eerste totale overwinning behaald, maar triomferen daarin vernedert de mens in de tegenstander en belet de tegenstander toenadering en verzoening te aanvaarden met de overwinnaar. Het belet dus de liefdedaad. Daarom zijn er in geestelijke zin altijd twee overwinningen. Een eerste, tijdelijke, die de overwinning is van het slechte door het goede, van de liefdevolle tegen de liefdeloze en een tweede, “waarbij de eerste namelijk bewaard wordt” en veilig gesteld. Dit is de strijd in de aanwezigheid van de eeuwige Derde, God. Het is de strijd om de verzoening, het gevecht om de overwonnene (terug) te winnen in de liefdedaad ervan.. Daardoor hoeft hij niet trots te zijn op zijn eerste, “wereldse” overwinning omdat hij onmiddellijk in een tweede strijd terecht gekomen is met zijn innerlijkheid en met God – de steeds aanwezige Derde. Daarin staat de mens de zege af aan God. Volgen dan prachtige bladzijden over de dialectiek van de verzoening, de deemoed, de vernedering en het voorkomen ervan, in de echt christelijke betekenis van het woord.

We geraken geanimeerd zoals altijd in een gesprek verwikkeld met elkaar over de juiste waarde die we aan de woorden van K. moeten hechten. Zie hierboven de inleiding. We merken dat K. weinig oog heeft voor de collectiviteit (gerechtigheid, sociale rechtvaardigheid bvb). Marx is nog niet gepasseerd aan het westerse denken van K. We zien zijn al te nadrukkelijke en moeilijke worsteling met woorden en voorbeelden, die zijn eigen innerlijke strijd verraden én misschien is er zijn ultieme capitulatie vóór de eindmeet? We ontleden nog wat geweldpleging meebrengt, wat er aan rancune misschien schuilt in K.’s romantische bevliegingen over de “vrouwelijke schroom”.

Volgende bijeenkomst: vrijdag 22 december te 16 uur.

Bijeenkomst Werkgroep Kierkegaard September 2006

Verslag Bijeenkomst van 29 September 2006

Aanwezig: Jan Gysen, Sam Landuyt, Levi Matuszczack Hedwig Van Damme, Rit Van den Bergh, Aad Van der Perk, Fientje Van Otten, André Vermaut, Chris Vonck.

Daden van Liefde Deeel II, VI: Liefde blijft.

In dit hoofdstuk bespreekt K. de onvergankelijkheid van de (ware) Liefde, vooral aan de hand van een voorbeeld van een in de ogen van ‘de wereld’ beproefde en zelfs schijnbaar falende liefdesrelatie man – vrouw. Liefde heeft altijd een nooit opdrogende bron en draagt het gehele bestaan. Want “we spreken over Gods Liefde en haar eigenschap altijd te blijven”. K. spreekt hier wel over “de handelingen ( = daden) van de liefde”, want over menselijke liefde, over de “liefdevolle” mens. De liefde blijft en er is nooit een breuk, nooit ontrouw in de echte liefde, omdat ieder van de twee liefdevolle mensen tevens een verhouding heeft met een derde, de liefde zelf, in zichzelf aanwezig, door ‘er in te blijven’. Als maar één van de twee in de liefde blijft is er geen ophouden van de liefde. Liefde, ware daden van menselijke liefde, behoren tot het eeuwige, d.i. onvergankelijke.

Kierkegaard werkt dit dan uit, aan de hand van alle beproevingen en perikelen die maar denkbaar zijn bij menselijke liefde. Het is merkwaardig om waar te nemen hoe elk van ons in de werkgroep, ondanks de intensieve lezing van het boek Daden van Liefde, ondanks onze vele uitleg en verklaringen aan elkaar, toch grondig blijven verschillen in appreciatie van wat K. eigenlijk zegt en bedoelt en van wat er achter de woorden van K. schuil gaat m.b.t. zijn privéleven (zijn verloving met Regina). Enkelen zien er – en vooral dan weer in dit hoofdstuk – een sublimatie in van zijn eigen liefdesverdriet, een soort van oratio pro domo zelfs tegenover Regina Olsen. Anderen zien vooral het karakter van K. op de achtergrond aanwezig, in de historische context van de Deense burgerij van toen, zijn frustrerend gebrek aan ‘praxis’ van de liefde en van het huwelijk, zijn zeer moeilijke tot onmogelijke relatie tot zijn vader en vandaar zijn “idealistische”, niet existentialistische visie op de liefde. Kierkegaard, door zijn steeds weerkerend onderscheiden van ‘de tijdelijke wereld’ en de ‘eeuwigheidaspecten’ van de liefde, wordt zowaar daardoor meer idealist en Hegeliaan dan existentiefilosoof. Meer dan K. ooit voor lief zou genomen hebben. Anderen vinden de redeneringen van K. heel begrijpelijk, hechten aan de levensomstandigheden van K. geen groter belang dan dat ze aanleiding geweest zijn tot het ware filosofisch élan van K. en geven aan de liefde het krediet van de vertegenwoordiger te zijn van de “werkelijke werkelijkheid”, die verschijnt in de tegenstelling tot de “wereld van de illusie”, in de boeddhistische betekenis van het woord. Of zoals Plato het wellicht ook vermoedde in zijn grot. Zo wordt voor hem - hen? - de liefde de brug naar de eeuwigheidervaring, naar de Godsopenbaring en beleving tegelijk. Nog anderen zien de liefde als overal aanwezige en krachtig schijnend vermogen, kracht, licht dat overal de kosmos en het leven doorstraalt.

Terwijl dus voor de enen de liefde zoals K. ze beschrijft een “idealistische” abstractie is, die aldus niet ‘echt’ bestaat, is ze voor de anderen de werkelijkheid tegenover alle fenomenen van de schijnbaarheid van al de rest op aarde en in de kosmos. Maar tot slot van de bijeenkomst komen we samen eensgezind terug aan bij ons leven, onze kinderen, onze eigen liefdesperikelen en ervaringen met de dagdagelijkse wereld. Waarin we het allemaal wel ook al eens een beetje moeilijk hebben…
Sam Landuyt.

Volgende bijeenkomst: 27 oktober te 16 uur.